Insolventierecht
afwijzing wsnp wegens fraude bij aanvraag TVL
Rechtbank Rotterdam, 21 maart 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:2889 · Rechtbank Rotterdam · 21 maart 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2024-2889
Zaakgegevens
Op 21 maart 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 maart 2024
- Datum publicatie
- 5 april 2024
- Zaaknummer
- FT EA 24/90
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2024:2889
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
afwijzing wsnp wegens fraude bij aanvraag TVL
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 21 maart 2024
[verzoeker] ,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 19 januari 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 14 maart 2024.
2 De feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 65.704,39.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Op de schuldenlijst van verzoeker staat een fraudeschuld aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) van € 55.039,39 uit 15 februari 2021. Volgens verzoeker is deze schuld ontstaan omdat hij, ten tijde van het voeren van zijn onderneming, [naam onderneming] , een aanvraag heeft ingediend voor de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten. Deze aanvraag is ingediend met valse gegevens om RVO te bewegen de tegemoetkoming te verstrekken waarop verzoeker geen recht had. De verklaring van verzoeker dat de valse aanvraag is gedaan door zijn broer en dat zijn broer degene is die het geld heeft opgenomen en uitgegeven is niet onderbouwd met bewijsstukken en ook verder niet aannemelijk gemaakt. Voorts valt het verzoeker te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden, maar contant van de bank is opgenomen. Naar zeggen van verzoeker heeft zijn broer een deel van het bedrag gepind en niet terug gegeven. Een ander deel van het geldbedrag heeft verzoeker zelf gebruikt. Het is niet duidelijk waar dit geld voor is gebruikt. Verzoeker heeft zich de afgelopen drie jaar niet ingespannen om aangifte te doen tegen zijn broer, het geld terug te halen of betalingen te verrichten aan het RVO. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2024.