Insolventierecht
WSNP verzoek afgewezen. Schuld niet ter goede trouw. Fraudeschuld. Terugvordering PW-uitkering.
Rechtbank Rotterdam, 18 januari 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:406 · Rechtbank Rotterdam · 18 januari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2024-406
Zaakgegevens
Op 18 januari 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 18 januari 2024
- Datum publicatie
- 24 januari 2024
- Zaaknummer
- FT EA 23/834
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2024:406
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WSNP verzoek afgewezen. Schuld niet ter goede trouw. Fraudeschuld. Terugvordering PW-uitkering.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 18 januari 2024
[verzoeker] ,
[adres]
[woonplaats],
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 23 augustus 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter zitting van 6 december 2023. De schuldhulpverlener is niet ter zitting verschenen en heeft telefonisch verklaard op het tijdstip van de behandeling op de verkeerde rechtbanklocatie te zijn. De zaak is aangehouden tot 11 januari 2024 om verzoeker in de gelegenheid te stellen in aanwezigheid van zijn schuldhulpverlener zijn goede trouw ten aanzien van een nieuwe (na afronden van het minnelijk traject bekend geworden) vordering van de gemeente Rotterdam aannemelijk te maken. De schuldhulpverlener heeft bij email van 15 december 2023 het verzoek te willen intrekken vanwege het opkomen van de voornoemde (fraude-)vordering. Verzoeker heeft aangegeven het verzoek te willen handhaven.
Ter zitting op 11 januari 2024 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoeker;
-
[naam].
De uitspraak is bepaald op heden.
2 De feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit WIA-uitkering met een aanvullende PW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 183.664,91.
Op de schuldenlijst van verzoeker staat een fraudeschuld aan de gemeente Rotterdam van € 10.456,99 volgens een besluit op of na 1 september 2023. Volgens de gemeente Rotterdam is deze schuld ontstaan omdat hij in de periode 1 juli 2021 tot en met 30 mei 2023 een PW-uitkering heeft ontvangen terwijl hij daar geen recht op had.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat de uitkeringsinstantie juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit volgens een besluit van de gemeente Rotterdam kennelijk niet gedaan. Verzoeker heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit althans heeft dat niet aannemelijk gemaakt. Het ontstaan van deze schuld is verzoeker te verwijten. Voorts valt het verzoeker te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2024.