Insolventierecht

Dwangakkoord afgewezen. Prognoseaanbod. Onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe…

Rechtbank Rotterdam, 23 oktober 2025

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
23 oktober 2025
Datum publicatie
11 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1008
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:14489
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dwangakkoord afgewezen. Prognoseaanbod. Onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 23 oktober 2025

afwijzen gedwongen schuldregeling

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [adres]

[postcode] [plaatsnaam],

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 11 juni 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- ABN AMRO afdel. Credit Services (hierna: ABN AMRO);

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 16 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoeker;

  • mevrouw L. van Dam, werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening).

De schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven schuldeisers, waarvan twee preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 74.416,91 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 7 november 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 12,97% aan de preferente schuldeisers en 6,49% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Verzoeker werkt parttime en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.

Zes schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ABN AMRO stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 13.257,31 op verzoeker, welke 17,8% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft ABN AMRO te kennen gegeven dat zij wil kunnen beoordelen of het aanbod het maximaal haalbare is. In dit kader vraagt ABN AMRO zich af wat de reden is dat verzoeker niet fulltime werkt en of er belemmeringen zijn om meer uren te werken. Ook maakt ABN AMRO uit de VTLB-berekening op dat verzoeker een tegemoetkoming van de werkgever ontvangt voor reiskosten. In dit kader vraagt ABN AMRO zich af of verzoeker in het bezit is van een voertuig wat eventueel in de regeling kan worden ingebracht. Gezien voorgaande informatie ontbreekt en het onduidelijk is hoe de schuldenlast is ontstaan, stelt ABN AMRO zich op het standpunt dat het voorstel onvoldoende gedocumenteerd is.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft de weigerende schuldeiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ABN AMRO bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ABN AMRO in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de vordering van ABN AMRO een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 17,8%. Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat ABN AMRO in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een prognoseakkoord gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een parttime dienstverband. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de regelgeving bij zijn huidige werkgever is aangepast waardoor hij geen 36 uur per week kan werken. Verzoeker heeft niet aangetoond dat hij actief heeft gesolliciteerd naar een aanvullende dienstbetrekking dan wel naar een fulltime baan. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is alsmede onvoldoende duidelijk geworden dat verzoeker niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van ABN AMRO als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om ABN AMRO te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025.