Insolventierecht
Afwijzing WSNP, geen saneringsgezinde houding. Niet aan de inspanningsverplichting voldaan.
Rechtbank Rotterdam, 26 mei 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:7219 · Rechtbank Rotterdam · 26 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2025-7219
Zaakgegevens
Op 26 mei 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 26 mei 2025
- Datum publicatie
- 20 juni 2025
- Zaaknummer
- FT RK 25/427
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2025:7219
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzing WSNP, geen saneringsgezinde houding. Niet aan de inspanningsverplichting voldaan.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [rekestnummer]
uitspraakdatum: 26 mei 2025
[verzoekster] ,
[adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 14 maart 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 19 mei 2025 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoekster;
-
de heer [persoon A] , partner van verzoekster;
-
de heer N. Belo, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden, beschermingsbewindvoerder.
2 De feiten
Verzoekster heeft geen inkomsten. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 13.140,85.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoekster heeft immers, ondanks uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van haar verzoek, geen sollicitaties overgelegd.
Verzoekster heeft niet gesolliciteerd omdat zij zorg draagt voor de kinderen. Zij kan haar kinderen nergens onderbrengen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij op zich wel wil gaan werken, maar dan alleen op de ochtenden dat haar jongste dochter naar de peuterspeelzaal gaat. Dit betreft twee ochtenden van twee uur. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij niet fulltime kan werken in verband met de zorg voor haar kinderen. Bovendien werkt haar partner al fulltime. Als verzoekster al moet gaan werken, dan wil zij dit gaan doen als alle kinderen op de basisschool zitten. Haar jongste dochter is onlangs drie jaar geworden, zodat dit nog enige tijd zal duren. Verzoekster deelt voorts mee dat zij de kosten van kinderopvang niet kan betalen en dat de kosten voor de opvang mogelijk niet opwegen tegen de baten.
De rechtbank oordeelt dat verzoekster geen blijk geeft van een saneringsgezinde houding. Zij wenst een oplossing voor haar schulden en zal zich daartoe maximaal moeten inspannen. Gelet op de houding van verzoekster bestaat bij de rechtbank gerede twijfel dat verzoekster haar inspanningsverplichting zal nakomen, temeer nu zij ter zitting heeft verklaard dat zij nog niet heeft gesolliciteerd en zich nog niet heeft verdiept in eventuele voorliggende voorzieningen voor de opvang van haar kinderen. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich tijdens de schuldsaneringsregeling zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2025.