Insolventierecht

Faillietverklaring. Summierlijk gebleken van het vorderingsrecht en van het bestaan van een steunvordering…

Rechtbank Rotterdam, 20 mei 2025

Zaakgegevens

Op 20 mei 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
20 mei 2025
Datum publicatie
6 augustus 2025
Zaaknummer
FT RK 25/502
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2025:9591
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillietverklaring. Summierlijk gebleken van het vorderingsrecht en van het bestaan van een steunvordering. Ook is er sprake van een toestand. Tussen verzoekster en verweerster is geen betalingsregeling tot stand gekomen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 20 mei 2025

VONNIS op het op 28 maart 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:

1.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

verzoekster sub 1,

2.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

verzoekster sub 2,

hierna tezamen te noemen: verzoeksters,

advocaat mr. E.T. van den Hout,

strekkende tot faillietverklaring van:

[verweerder] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

aldaar tevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,

verweerder.

1 De procedure

Verzoeksters, bij monde van mr. D.L.A. van Voskuilen, advocaat, en verweerder zijn op

20 mei 2025 in raadkamer gehoord.

Naar aanleiding van de bij artikel 3 van de Faillissementswet voorgeschreven brief van de griffier van 28 maart 2025 is geen verzoekschrift ingediend.

2 De beoordeling

Bevoegdheid

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.

Beoordelingskader

Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.

Bestaan vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers

De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestaan van het vorderingsrecht van verzoeksters niet heeft betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van het vorderingsrecht van verzoeksters en daarmee ook van pluraliteit van schuldeisers summierlijk is gebleken. Beide vorderingsrechten zijn, uit hoofde van vervallen facturen, bovendien opeisbaar.

Faillissementstoestand

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank voorts vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat verweerder de vordering van verzoeksters onbetaald laat. Verweerder had met verzoeksters een betalingsregeling, maar deze is op 4 februari 2025 komen te vervallen. Dat verweerder daarna uit eigen beweging, zonder instemming van verzoeksters, nog twee deelbetalingen van € 500,00 heeft verricht, maakt niet dat de betalingsregeling is hervat. Verzoeksters hebben verklaard dat geen (nieuwe) betalingsregeling tot stand is gekomen. Nu geen betalingsregeling tot stand is gekomen en niet is gebleken dat verweerder thans over voldoende actief beschikt om zijn schulden te betalen, is de rechtbank van oordeel dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerder in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart [verweerder] voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. B.T.M. van Honk, advocaat te Rotterdam;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van

mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025 te 14:00 uur.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.