Insolventierecht

Verzoek dwangakkoord toegewezen. Maximaal haalbare is aangeboden. Voldoende aannemelijk dat verzoekster…

Rechtbank Rotterdam, 30 september 2026

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2615637:R-RK - NL:TZ:2615683:R-RK
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14811
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek dwangakkoord toegewezen. Maximaal haalbare is aangeboden. Voldoende aannemelijk dat verzoekster gezien de omstandigheden niet in staat is om binnen 18 maanden meer inkomsten te genereren.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]

uitspraakdatum: 30 september 2026

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [straatnaam],

[postcode] [woonplaats],

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 30 juni 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- [schuldeiser], wiens vordering in behandeling is bij CBMK Incasso (hierna: [schuldeiser]);

die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

[schuldeiser] heeft voorafgaand aan de zitting, op 15 augustus 2026, een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 23 september 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoekster;

  • mevrouw [persoon A], werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening).

[schuldeiser] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift één preferente schuldeiser en elf concurrente schuldeisers met twaalf vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 53.027,75 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van

24 maart 2026 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en de schuldeisers verzocht worden de betreffende schulden kwijt te schelden.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft eind 2025 te maken gehad met een medisch event. Zij heeft een periode in coma gelegen en is (deels) verlamd geraakt. Daarna heeft zij heeft enige tijd in een revalidatiecentrum verbleven. Door het medisch event is haar gezondheid erg achteruit gegaan. Verzoekster werkt hard aan haar herstel. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoekster binnen afzienbare tijd zal toenemen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.

Elf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 12.078,27 op verzoekster, welke 22,78% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

[schuldeiser] stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. In haar verweerschrift heeft [schuldeiser] gesteld dat verzoekster toeslag heeft ontvangen van de belastingdienst voor de kosten van de kinderopvang. Verzoekster heeft verzuimd om de toeslag te gebruiken voor de openstaande facturen van de kinderopvang. [schuldeiser] betreurt de persoonlijke financiële situatie van verzoekster en haar zoon. Daarentegen dienen zij ook de vaste lasten te betalen. Zij zijn een kleine onafhankelijke organisatie en het onbetaald blijven van facturen heeft serieuze gevolgen voor de algehele bedrijfsvoering en het voortbestaan van de organisatie.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [schuldeiser] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of [schuldeiser] in redelijkheid niet kon weigeren in te stemmen met de schuldregeling. Omdat er in dit geval een zogeheten nulaanbod is gedaan, zal dat in beginsel niet snel het geval zijn. Als echter voldoende aannemelijk is dat [schuldeiser] in het alternatieve scenario (dat er geen dwangakkoord wordt opgelegd) ook geen enkele betaling op haar vordering zal krijgen, kan er toch aanleiding zijn om het dwangakkoord toe te wijzen.

Van belang is dus, om vast te stellen wat in dit geval het alternatieve scenario is. In het geval van verzoekster is dat toelating tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (de Wsnp), zoals subsidiair ook verzocht. Voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster toegelaten zou kunnen worden tot de Wsnp.

Vervolgens is van belang of [schuldeiser] in dit alternatieve scenario (en dus: bij de afwikkeling van de Wsnp-regeling van verzoekster) een uitkering tegemoet kan zien. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aannemelijk is geworden.

Verzoekster ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster gezondheidsproblemen heeft die haar belemmeren bij het uitvoeren van (fulltime) betaalde arbeid. Verzoekster is ook vrijgesteld van enige inspanningsverplichting of tegenprestatie in het kader van de Participatiewet. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd (die ook binnen de Wsnp-regeling wordt gehanteerd) waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Dat dit binnen een termijn van anderhalf jaar zal wijzigen, is niet aannemelijk geworden. Verzoekster zal binnen de Wsnp-regeling op basis van de vrijstelling op grond van de Participatiewet, ook worden vrijgesteld van de arbeidsverplichting. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster geen afloscapaciteit zal verkrijgen binnen de Wsnp. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers.

De wettelijke schuldsaneringsregeling brengt aanzienlijke kosten met zich mee, bestaande uit onder meer het salaris voor de bewindvoerder en het griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de Wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.

Uit het bovenstaande vloeit voort dat het voorstel aan de schuldeisers het maximaal haalbare is en dat er geen reëel perspectief is dat de schuldeisers een uitkering tegemoet zullen zien in de Wsnp-regeling.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is gedaan door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Stroomopwaarts. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat het belang van verzoekster die haar schuldenproblematiek wil oplossen, en het belang om geen onnodige kosten ten laste van de Staat te maken, zwaarder wegen dan het belang van [schuldeiser] bij haar weigering, nu niet is vast komen te staan dat [schuldeiser] een financieel belang heeft bij die weigering.

Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

[schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt [schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt [schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van

I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.