Insolventierecht

Rechtbank Rotterdam · Eerste aanleg - enkelvoudig · Insolventierecht

Rechtbank Rotterdam, 2 april 2026

Zaakgegevens

Op 2 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
2 april 2026
Datum publicatie
8 juni 2026
Zaaknummer
FT RK 23/70
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:6563
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlening schone lei.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team insolventie

verlening schone lei

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 2 april 2026

Bij vonnis van deze rechtbank van 11 mei 2023 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenaar] ,

[adres],
[postcode] [plaatsnaam],
schuldenaar,

bewindvoerder: N. Pavljasevic.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft op 11 februari 2026 schriftelijk verslag uitgebracht en aan de rechtbank geadviseerd de schone lei te verlenen.

Bij e-mailbericht van 23 februari 2026 heeft [naam], schuldeiser, aan de bewindvoerder bericht dat hij de eindzitting graag wil bijwonen.

Op 19 maart 2026 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.

Op 23 maart 2026 heeft [naam] een brief gestuurd waarin hij zijn standpunt heeft onderbouwd.

Ter terechtzitting van 26 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • schuldenaar,

  • de heer N. Pavljasevic, bewindvoerder (hierna: bewindvoerder);

  • de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van schuldenaar;

  • mevrouw M.M. Brouwer en mevrouw M. van Oorschot, beschermingsbewindvoerders (hierna: beschermingsbewindvoerders),

  • [naam], schuldeiser (hierna: schuldeiser).

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Standpunt bewindvoerder

Alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen tot en met februari 2026 zijn nagekomen. De bewindvoerder adviseert de rechtbank derhalve om schuldenaar de schone lei te verlenen.

Standpunt schuldeiser

De schuldeiser meent dat zijn vordering niet te goeder trouw is ontstaan en dat er bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling geen degelijk onderzoek is verricht naar het ontstaan van deze vordering. De onderliggende stukken, zoals de terugbetalingsovereenkomst, zijn door schuldenaar destijds niet aangeleverd. De schuldeiser stelt zich op het standpunt dat er onjuiste gegevens aan de rechtbank zijn verstrekt en dat er cruciale informatie door de schuldenaar niet aan de rechtbank is verstrekt. De gegevens die de schuldenaar wel heeft aangeleverd zijn door de rechtbank ten onrechte aangenomen als waarheid. De schuldeiser verzoekt dan ook om zijn vordering buiten de regeling te laten.

Standpunt schuldenaar

Alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen tot en met februari 2026 zijn door de schuldenaar nagekomen. De schone lei moet daarom worden verleend.

3 De beoordeling

De verwijten van de schuldeiser zien op de periode voorafgaand aan toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank stelt vast dat deze punten destijds niet aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg hebben gestaan en evenmin gedurende de schuldsaneringsregeling hebben geleid tot een voordracht tot tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 sub f van de Faillissementswet (Fw). Deze verwijten kunnen thans geen rol meer spelen bij beantwoording van de vraag of aan de schuldenaar de zogenoemde “schone lei” kan worden verleend.

Volgens de bewindvoerder heeft schuldenaar zich gedurende de regeling naar behoren aan alle verplichtingen gehouden.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat schuldenaar gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet (toerekenbaar) in de nakoming van één of meer verplichtingen is tekortgeschoten. Aan schuldenaar zal daarom de schone lei worden verleend.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

4 De beslissing

De rechtbank:

  • stelt vast dat schuldenaar niet toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

  • bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaar eindigen op 11 maart 2026;

  • verleent de zogenoemde “schone lei” waardoor de na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal
€ 5.418,77.

Dit is de beslissing van mr. J.T.P. Pot, rechter, in samenwerking met mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.