Insolventierecht
Dwangakkoord toegewezen. Prognose. Het voorstel is het uiterste waartoe verzoeker in staat moeten worden…
Rechtbank Rotterdam, 11 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:6736 · Rechtbank Rotterdam · 11 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-6736
Zaakgegevens
Op 11 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 februari 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- FT RK 25/1751 – FT RK 25/1752
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:6736
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dwangakkoord toegewezen. Prognose. Het voorstel is het uiterste waartoe verzoeker in staat moeten worden geacht. Verzoeker werkt gemiddeld 37,5 uur per week op basis van een oproepovereenkomst. Gunstiger resultaat voor schuldeisers dan de Wsnp.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 11 februari 2026
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 23 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, in behandeling bij GGN Mastering Credit (hierna: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
GGN Mastering Credit heeft namens Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voorafgaand aan de zitting op 27 januari 2026 een verweerschrift toegezonden en aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
Ter zitting van 3 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoeker;
-
mevrouw O.S.B. Karsters en mevrouw N. Kloppert, beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
-
mevrouw E. Klein, werkzaam bij Klein Budget Beheer B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Schuldhulpverlening heeft op 3 februari 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegestuurd.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift acht schuldeisers, waarvan één preferente en zeven concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 93.323,59 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 22 mei 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 11,48% aan de preferente schuldeiser en 5,74% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Verzoeker werkt gemiddeld 37,5 uur per week op basis van een oproepovereenkomst. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij over een aantal maanden een nieuwe functie met een vast contract zal krijgen binnen hetzelfde bedrijf. Daarbij zal het inkomen van verzoeker stijgen. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de vordering van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ziet op een Tegemoetkoming Vaste Lasten die is aangevraagd in verband met zijn voormalige bedrijf. Verzoeker heeft te kennen gegeven dat derden zonder toestemming zijn gegevens hebben gebruikt om deze tegemoetkoming aan te vragen. Vervolgens heeft verzoeker het bedrag op zijn rekening gestort gekregen en heeft hij onder bedreiging een deel per factuur en een deel in contant moeten betalen aan deze derden. Verzoeker is hieromtrent alsmede gehoord door de FIOD. Het laatste wordt bevestigd door het proces-verbaal van het verhoor, dat na de zitting door schuldhulpverlening is overgelegd.
Zeven schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 55.597,69 op verzoeker, welke 59,6% van de totale schuldenlast beloopt.
3 Het verweer
In de contacten met schuldhulpverlening heeft Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aangegeven dat zij niet akkoord gaan met het aanbod omdat verzoeker destijds de verkeerde gegevens heeft aangeleverd. In haar verweerschrift heeft Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dan ook moet worden afgewezen. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beschikt over een titel uit 2021. Deze titel is twintig jaar geldig. Rijksdienst voor Onderneming Nederland meent dat verzoeker nog voldoende verdiencapaciteit heeft om de vordering volledig te kunnen voldoen, mede gezien het feit dat verzoeker alleenstaand is en dus geen partner of kinderen heeft waarvoor hij moet zorgen.
4 De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast van 59,6%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeven van de acht schuldeisers, is evenwel met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker gemiddeld 37,5 uur per week werkt op basis van een oproepovereenkomst. Dat betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij over een aantal maanden een nieuwe functie met een vast contract zal krijgen binnen hetzelfde bedrijf. Daarbij zal het inkomen van verzoeker stijgen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker heeft beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Rijksdienst voor Ondernemend Nederland te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- beveelt Rijksdienst voor Ondernemend Nederland om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Rijksdienst voor Ondernemend Nederland in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.