Insolventierecht
Dwangakkoord toegewezen. Aanbod gewijzigd in de uitkering van een prognosepercentage. Verzoeker beschikt…
Rechtbank Rotterdam, 26 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:6753 · Rechtbank Rotterdam · 26 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-6753
Zaakgegevens
Op 26 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 26 februari 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- FT RK 25/1909 – FT RK 25/1910
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:6753
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dwangakkoord toegewezen. Aanbod gewijzigd in de uitkering van een prognosepercentage. Verzoeker beschikt sinds 26 januari 2026 over een fulltime baan op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Wijziging van het aanbod is in het voordeel van de schuldeisers.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 26 februari 2026
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 20 oktober 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, in behandeling bij GGN Mastering Credit (hierna: RVO);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 18 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoeker;
-
de heer R.P. Fiege, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift één preferente schuldeiser met één vordering en vijf concurrente schuldeisers met zes vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 24.398,80 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 2 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,24% aan de preferente schuldeisers en 1,62% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De totale schuldenlast betrof toen € 24.641,54. De schuldenlast is derhalve lager geworden. Het uitkeringspercentage aan de schuldeisers is hierdoor gestegen, inhoudende een betaling van 3,27% aan de preferente schuldeisers en 1,64% aan de concurrente schuldeisers.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Ziektewetuitkering en aanvullende Participatiewet-uitkering. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoeker inmiddels een bedrag van
€ 306,- heeft gespaard ten behoeve van zijn schuldeisers. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij inmiddels beschikt over een betaalde baan en sinds 26 januari 2026 fulltime werkt op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 26 april 2026). Omdat het inkomen van verzoeker inmiddels is gestegen, heeft verzoeker het aanbod voor de schuldregeling ter zitting gewijzigd in de uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat naar verwachting een hoger percentage zal kunnen worden uitgekeerd aan de schuldeisers, doordat de afloscapaciteit op basis van het huidige inkomen van verzoeker sinds 26 januari 2026 aanzienlijk is gestegen.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. RVO stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 16.235,12 op verzoeker, die 66,5% van de totale schuldenlast beloopt.
3 Het verweer
In de contacten met schuldhulpverlening heeft RVO te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. RVO is de grootste schuldeiser in de totale schuldenpositie en staat er wel voor open om een langlopende betalingsregeling af te spreken, zodat verzoeker de schuld op een haalbare manier kan aflossen. Gezien de leeftijd van verzoeker is het volgens RVO bovendien reëel om aan te nemen dat zijn inkomenssituatie de komende jaren nog kan veranderen en biedt dit perspectief op (gedeeltelijke) aflossing van de vordering.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft RVO geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
4 De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van RVO bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of RVO in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van RVO een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast van 66,5%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vijf van de zes schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker tot 26 januari 2026 niet beschikte over betaald werk. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de periode vanaf aanvang van de schuldregeling tot voornoemde datum geen inkomen had kunnen verwerven dat hoger was dan zijn inkomen uit een Ziektewetuitkering en een aanvullende Participatiewet-uitkering. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker sinds 26 januari 2026 wel beschikt over een fulltime baan, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Verzoeker heeft ter zitting het aanbod gewijzigd in de uitkering van een prognosepercentage. Omdat door deze wijziging het uitkeringspercentage aan de schuldeisers zal toenemen, is de rechtbank van oordeel dat de wijziging van het aanbod in het voordeel van de schuldeisers is. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. De vaste lasten van verzoeker worden door zijn budgetbeheerder voldaan. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker, die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen, en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van RVO, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om RVO te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
RVO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- beveelt RVO om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt RVO in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.