Insolventierecht

toewijzing gedwongen schuldregeling

Rechtbank Rotterdam, 20 mei 2026

Zaakgegevens

Op 20 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
20 mei 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2607619:R-RK - NL:TZ:2607620:R-RK en NL:TZ:
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7176
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

toewijzing gedwongen schuldregeling

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]

en [nummer 3] - [nummer 4]

Uitspraakdatum: 20 mei 2026

in de zaak van:

[naam 1] en [naam 2],

wonende te [adres] ,

verzoekers,

1 De procedure

Verzoekers hebben op 25 maart 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:

  • ABN AMRO, wiens vordering in behandeling is bij Vurich Gerechtsdeurwaarders (hierna: ABN AMRO);

  • Qeld Bedrijfsleningen, wiens vordering in behandeling is bij LAVG (hierna: Cartera);

die weigeren mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Greveling Pots & Dijkema Advocaten heeft namens ABN AMRO voorafgaande aan de zitting, bij brief van 11 mei 2026, aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

LAVG heeft namens de weigerende schuldeiser voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden en heeft laten weten dat Cartera de Vente B.V. inmiddels de eigenaresse van de vordering aan Qeld bedrijfsleningen is geworden. In het hiernavolgende zal de weigerende schuldeiser dan ook Cartera genoemd worden.

Ter zitting van 13 mei 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoeker;

  • verzoekster;

  • mevrouw [naam 3] , schuldhulpverlening.

De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift negen schuldeisers, waarvan één preferente en acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 234.590,21 van verzoekers te vorderen. Verzoekers hebben bij brief van 25 november 2025 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 61,44% aan de preferente schuldeisers en 30,72% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekers hebben op basis van hun dienstbetrekking. Verzoekers werken beiden fulltime en hebben een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en hun vaste lasten worden inmiddels zelfstandig voldaan.

Acht schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Cartera stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 64.746,72 op verzoekers, welke 27,6% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft Cartera – kort samengevat – het volgende gesteld.

De vordering van Cartera bedraagt 27,6% van de totale schuldenlast, waardoor aan haar weigering aanzienlijk gewicht dient te worden toegekend. Daarnaast stelt zij dat onvoldoende sprake is van duidelijke en stabiele waarborgen voor een succesvol schuldregelingstraject, mede nu geen beschermingsbewind van toepassing is. Verder wijst Cartera erop dat verzoekers reeds meerdere malen hebben geprobeerd hun schulden te saneren, waarbij een eerder verzoek tot een dwangakkoord is afgewezen. Volgens Cartera is het aanbod bovendien niet goed, volledig en betrouwbaar gedocumenteerd en mogelijk niet het maximaal haalbare, nu onder meer de overwaarde van de koopwoning van verzoekers niet is meegenomen en uitsluitend is uitgegaan van de afloscapaciteit. Ook is volgens Cartera geen rekening gehouden met de door de vader van de minderjarige kinderen van verzoekster te betalen alimentatie bij de berekening van het vrij te laten bedrag. Daarbij komt dat sprake is van hoge woonlasten, terwijl onvoldoende blijkt van inspanningen om een goedkopere woonruimte te vinden. Tot slot stelt Cartera zich op het standpunt dat een wettelijke schuldsaneringsregeling een beter vooruitzicht biedt voor de gezamenlijke schuldeisers.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Cartera geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Cartera bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Cartera in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Cartera een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 27,6%.

Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk acht van de negen schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekers beschikken over een fulltime baan, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat verzoekers allebei reeds voldoen aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week. Ten aanzien van de overwaarde van de voormalige koopwoning van verzoekers heeft schuldhulpverlening verklaard dat dit wel degelijk is meegenomen in het aanbod, naast de afloscapaciteit van verzoekers.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekers van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekers zouden kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekers die vanuit een stabiele situatie hun schuldenproblematiek willen oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Cartera, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om Cartera te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Cartera zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekers niet zijn bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekers zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden en dat zij niet verkeren in de toestand dat zij hebben opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Cartera de Vente B.V. om in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Cartera de Vente B.V. in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit is de beslissing van mr. B.J. Tideman, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Hoger beroep Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.