Insolventierecht

Moratorium toegewezen. Zes maanden. Huurtermijnen vanaf oktober 2025 zijn voldaan. Sprake van…

Rechtbank Rotterdam, 21 mei 2026

Zaakgegevens

Op 21 mei 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
21 mei 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2611421:R-RK – NL:TZ:2611422:R-RK
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7228
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Moratorium toegewezen. Zes maanden. Huurtermijnen vanaf oktober 2025 zijn voldaan. Sprake van beschermingsbewind, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Minnelijk schuldhulpverleningstraject zal worden opgestart.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]

Uitspraak van 21 mei 2026

In de zaak van

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te geheim adres,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 6 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 6 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 mei 2026.

Hafkamp Groenenwegen Gerechtsdeurwaarders heeft voorafgaand aan de zitting, op 12 mei 2026, namens verweerster aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

Ter zitting van 13 mei 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoeker;

  • de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Verzoeker heeft reeds eerder op 23 februari 2026 een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin werd gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. Dit verzoek is bij vonnis van deze rechtbank van 26 maart 2026 afgewezen. In haar vonnis oordeelde de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker de verzochte periode nodig heeft om een minnelijk schuldhulpverleningstraject te doorlopen. Ook is een eerder schuldhulpverleningstraject beëindigd wegens gebrek aan medewerking van verzoeker. Daarnaast was nog onbekend of beschermingsbewind zou worden opgestart.

Verzoeker ontvangt inkomen uit een Ziektewetuitkering van € 1.440,26 netto per maand. De huur bedraagt € 660,69 per maand. De lopende huurtermijnen zijn – weliswaar steeds te laat – vanaf oktober 2025 betaald. Dit heeft ermee te maken dat verzoeker zijn inkomen pas de 8ste of 9de van de maand ontvangt. Verzoeker is niet in staat om de lopende huurtermijnen voor de 1ste van de maand te betalen. Wel is verzoeker in staat de lopende huurtermijnen voor de 15de van de maand te voldoen. Ook zijn de omstandigheden van verzoeker inmiddels veranderd dan dat die waren ten tijde van het vorige verzoek. Verzoeker staat inmiddels onder beschermingsbewind, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Daarnaast zal het minnelijk schuldhulpverleningstraject – nu er sprake is van beschermingsbewind – door Avres worden opgestart.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven zich te refereren naar het oordeel van de rechtbank. Verweerster verzoekt de rechtbank het volgende in haar overweging mee te nemen. De huurtermijn van mei 2026 is niet voldaan. Daarnaast heeft verzoeker alle hulp die hem in het verleden is aangeboden geweigerd. Gelet op het voorgaande en het feit dat een eerder verzoek moratorium is afgewezen heeft verweerster er weinig vertrouwen in dat verzoeker dit keer zijn medewerking zal gaan verlenen.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 15 april 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van de kantonrechter van 12 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De lopende huurtermijnen zijn vanaf oktober 2025, weliswaar steeds te laat, betaald. Ook is de huur van mei 2026 betaald. Daarnaast is er sinds 1 mei 2026 sprake van beschermingsbewind, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig, in dit geval voor de 15e van de lopende maand, zullen worden voldaan. Ook heeft de advocaat van verzoeker ter zitting verklaard dat hem is toegezegd dat – nu er sprake is van beschermingsbewind – het minnelijk schuldhulpverleningstraject bij Avres zal worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. Het voorgaande brengt dan ook met zich mee dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, waardoor – anders dan in het vonnis van deze rechtbank van 26 maart 2026 – het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan worden toegewezen.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. Nu verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is om de lopende huurtermijnen tijdig (voor de 1ste van de maand) te voldoen, maar wel steeds voor de 15de van de maand zal de rechtbank dit als voorwaarde in haar dictum opnemen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van de kantonrechter van
12 augustus 2025 tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen op een bij de deurwaarder bekend geheim adres, op voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 6 mei 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode voor de 15de van de lopende maand worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.