Insolventierecht
Verzoek dwangakkoord toegewezen. Nul-aanbod. Verzoekster is ontheven van de sollicitatieverplichting tot en…
Rechtbank Rotterdam, 26 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8407 · Rechtbank Rotterdam · 26 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-8407
Zaakgegevens
Op 26 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 26 februari 2026
- Datum publicatie
- 10 juli 2026
- Zaaknummer
- FT RK 25/1981
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8407
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek dwangakkoord toegewezen. Nul-aanbod. Verzoekster is ontheven van de sollicitatieverplichting tot en met 29 juli 2026. Geen afloscapaciteit. Als verzoekster nadien al (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt zou worden verklaard, dan is voldoende aannemelijk dat zij geen hoger inkomen zal kunnen verwerven dan haar huidige inkomen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1]
uitspraakdatum: 26 februari 2026
in de zaak van:
[naam 1] ,
wonende te [straatnaam]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 30 oktober 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Stichting Havensteder, in behandeling bij Hafkamp Gerechtsdeurwaarders (hierna: Havensteder);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Hafkamp heeft namens Havensteder voorafgaand aan de zitting op 11 februari 2026 een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.
Ter zitting van 19 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoekster;
-
mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
-
de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] , namens Havensteder.
De uitspraak is bepaald op heden.
2 Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift acht concurrente schuldeisers (met tien vorderingen). Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 16.520,25 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 3 september 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers wordt verzocht de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster is door de gemeente ontheven van de sollicitatieverplichting tot en met 29 juli 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoekster binnen afzienbare tijd zal toenemen.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Zeven schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Havensteder stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 3.375,13 op verzoekster, welke 20,4% van de totale schuldenlast beloopt.
3 Het verweer
In haar verweerschrift heeft Havensteder onder meer gesteld dat niet is gebleken dat maximaal haalbare is aangeboden. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieplicht tot en met 29 december 2025 en het is Havensteder niet bekend of nadien de ontheffing opnieuw is verleend.
Verder heeft Havensteder aangevoerd dat uit het proces-verbaal van de door de kantonrechter op 25 september 2025 gehouden mondelinge behandeling blijkt dat partijen expliciet zijn overeengekomen dat verzoekster binnen twee maanden een ‘concreet en redelijk aanbod, niet zijnde een 0-aanbod’ moet doen, op straffe van ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
Naar aanleiding van de verklaring van verzoekster ter zitting dat zij ten tijde van de zitting bij de kantonrechter, waar zij zonder begeleiding aanwezig was, in de veronderstelling was dat zij wel íets zou kunnen aanbieden, heeft Havensteder verklaard dat zij er niet van uitgaat dat verzoekster destijds vanuit kwade trouw is overeengekomen dat geen nul-aanbod zou worden gedaan.
Ter zitting heeft Havensteder haar weigering gehandhaafd.
4 De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Havensteder bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Havensteder in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Havensteder een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 20,4%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeven van de acht schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster is door de gemeente ontheven van de sollicitatieverplichting. De eerste ontheffing is verleend voor de periode vanaf 1 april 2024 tot en met 1 augustus 2025. Vervolgens is de situatie opnieuw beoordeeld en is een ontheffing verleend tot en met 29 december 2025. Thans heeft verzoekster een ontheffing tot en met 29 juli 2026. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd, waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Verzoekster heeft laatstelijk betaald werk verricht in 2009 en zij heeft daardoor een afstand tot de arbeidsmarkt. Als verzoekster na 29 juli 2026 al (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt zou worden bevonden, wat door schuldhulpverlening niet wordt verwacht, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat verzoekster in de komende achttien maanden geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoekster in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van Havensteder.
Het verzoek om Havensteder te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Havensteder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal worden gekweten van haar schulden. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- beveelt Havensteder om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Havensteder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.