Insolventierecht
Verzoek tot beëindiging van eerder verleende voorlopige voorziening (moratorium, art. 287b Fw)…
Rechtbank Rotterdam, 23 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8658 · Rechtbank Rotterdam · 23 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-8658
Zaakgegevens
Op 23 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- FT RK 26/355
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8658
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek tot beëindiging van eerder verleende voorlopige voorziening (moratorium, art. 287b Fw) niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
verzoekschrift wegens niet-nakoming moratorium (ex art. 287b Fw)
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 23 juni 2026
[bedrijf] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: [naam 1] van Active Collecting Control & Services B.V.
tegen
[naam 2] ,
wonende op een geheim adres,
hierna: verweerster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 11 juni 2026 een verzoekschrift ingediend waarbij zij verzoekt een eerder verleende voorlopige voorziening (moratorium, art. 287b Fw) te beëindigen en de ontruiming van de huurwoning toe te staan..
2 Het verzoek
Bij vonnis van 26 maart 2026 is aan verweerster voor de duur van zes maanden een voorlopige voorziening bij voorraad ex artikel 287b Fw verleend. In haar vonnis heeft de rechtbank ter zekerheid van de belangen van verzoekster in het dictum een voorwaarde opgenomen. De voorwaarde houdt in dat de voorlopige voorziening slechts geldt, zolang gedurende de voorlopige voorziening de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Verzoekster stelt dat verweerster de huurtermijnen voor de maanden mei en juni 2026 niet tijdig – vóór de eerste van de maand – heeft voldaan. Verzoekster verzoekt de rechtbank de voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid Fw te beëindigen.
3 De beoordeling
De rechtbank zal het verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaren. De verhuurder heeft daarbij geen belang. Want verzoekster heeft een uitvoerbaar bij voorraad verklaard ontruimingsvonnis van de kantonrechter van 21 januari 2026. De tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter is bij vonnis van deze rechtbank van 26 maart 2026 opgeschort voor de duur van zes maanden. Hierbij is door de rechtbank bepaald dat de voorlopige voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende de voorlopige voorziening tijdig worden voldaan. Als verweerster niet aan deze voorwaarde heeft voldaan eindigt de voorlopige voorziening. Dat is ook in lijn met het bepaalde in art. 305 Fw. Gelet op haar eigen stellingen zal verzoekster in zoverre weer kunnen overgaan tot tenuitvoerlegging van het (ontruimings-)vonnis van 21 januari 2026. Verzoekster heeft daarom geen belang meer bij het verzoek.
Overigens heeft de wet ook niet bepaald dat de verhuurder om opheffing van de voorlopige voorziening kan vragen als de schuldenaar niet aan de verplichtingen heeft voldaan.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
4 De beslissing
De rechtbank:
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.