Insolventierecht

Moratorium toegewezen voor de duur van zes maanden.

Rechtbank Rotterdam, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2617371:R-RK - NL:TZ:2617374:R-RK
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14753
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Moratorium toegewezen voor de duur van zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

Toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

Rekestnummers: NL:TZ:2617371:R-RK - NL:TZ:2617374:R-RK

Uitspraakdatum: 21 oktober 2026

[verzoeker] ,

wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 23 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 24 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2026.

Ter zitting van 13 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat);

  • mevrouw M. Baaij-Kok, werkzaam bij Taurus Bewindvoering (hierna: beschermingsbewindvoerder).

Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders, Juristen, Incassospecialisten heeft, namens verweerster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een e-mail toegezonden. In deze
e-mail is opgenomen dat verweerster niet ter zitting zal verschijnen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

De schulden van verzoeker zijn ontstaan door overbesteding, terugval in inkomsten en moeite met het beheren van geld. Verzoeker staat sinds 3 juni 2026 – op eigen verzoek – onder beschermingsbewind. Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet, verhoogd met huur- en zorgtoeslag. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de lopende huur te betalen. De lopende huur wordt sinds de onderbewindstelling ook betaald.

Ter zitting is door de advocaat desgevraagd verklaard dat verzoeker sinds 24 augustus 2026 in detentie zit en dat hij daarom niet ter zitting is verschenen. De verwachte einddatum van de detentie is 27 november 2026. De advocaat verwacht dat het schuldhulpverleningstraject snel kan worden afgerond en denkt niet dat de detentie invloed heeft op het schuldhulp-verleningstraject. Door de beschermingsbewindvoerder is verklaard dat er een bedrag van ongeveer € 5.000,00 op de rekening van verzoeker staat. Met dit bedrag kunnen de vaste lasten in ieder geval tot de einddatum van de detentie betaald worden. Na de detentie kan de uitkering op grond van de Participatiewet weer hervat worden. Daarnaast heeft de beschermingsbewindvoerder bijzondere bijstand aangevraagd voor de gehele periode van detentie met als doel de betaling van de vaste lasten. De betaling van de lopende huur is dus gewaarborgd.

3 Het verweer

Verweerster refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Verweerster verzoekt de rechtbank om indien mogelijk in de uitspraak op te nemen dat verzoeker gedurende de periode die hem gegund zal worden gehouden is om stipt op tijd de lopende huur te betalen. Ook wenst verweerster dat in de uitspraak wordt opgenomen dat namens verzoeker binnen vier maanden een concreet voorstel wordt gedaan.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting verder toe te lichten.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 7 september 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 1 oktober 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij na afloop van zijn detentie, eind november 2026, kan terugkeren in de huurwoning en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 7 april 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De verschuldigde huur is sinds de uitspraak van het beschermingsbewind betaald en met het beschermingsbewind is gewaarborgd dat de lopende huur ook tijdig betaald zal blijven worden. Alhoewel verzoeker op dit moment in detentie zit en zijn uitkering op grond van de Participatiewet daardoor is opgeschort, is door de beschermingsbewindvoerder ter zitting verklaard dat er genoeg reserveringen zijn om de vaste lasten – waaronder de lopende huur – in ieder geval tot de verwachtte einddatum van de detentie (27 november 2026) te betalen. Daarnaast verwacht de advocaat dat het schuldhulpverleningstraject snel kan worden afgerond. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 april 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen te Schiedam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
24 september 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van Toor-Roos, rechter, en in aanwezigheid van Z. da Luz Almeida, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.