Insolventierecht
De huurtermijnen zijn de afgelopen 22 maanden niet betaald en het is onduidelijk wat de stand van zaken is…
Rechtbank Rotterdam, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14756 · Rechtbank Rotterdam · 16 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-14756
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2617246:R-RK – NL:TZ2617247:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14756
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De huurtermijnen zijn de afgelopen 22 maanden niet betaald en het is onduidelijk wat de stand van zaken is omtrent het schuldhulpverleningstraject. Verzoekster is niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven, noch is de huur over de maand oktober betaald.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 16 oktober 2026
[verzoekster]
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats]
verzoekster
1 De procedure
Verzoekster heeft op 17 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In de oproepingsbrief van 21 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 9 oktober 2026.
Ter zitting van 9 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
mr. B.H.A. Augustin, werkzaam bij Augustin Advocatuur, advocaat van verzoekster (hierna: advocaat);
-
de heer [persoon A], werkzaam als beheerder voor [bedrijf A] (hierna: beheerder);
-
de heer [persoon B], werkzaam bij Gerechtsdeurwaarders Velthoven De Koning, optredend als gemachtigde voor [bedrijf A], gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen. Haar advocaat heeft ter zitting verklaard dat zij wegens acute gezondheidsproblemen is opgenomen in het ziekenhuis niet in staat was ter zitting te verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat het niet goed gaat met verzoekster en dat zij kampt met ernstige gezondheidsklachten.
Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster een intake heeft gehad op 25 juni 2026 bij de gemeente Schiedam voor een schuldhulpverleningstraject en dat dit is toegekend.
De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de stand van zaken met betrekking tot het schuldhulpverleningstraject bij hem onbekend is en dat hij er bij verzoekster op heeft aangedrongen dat zij onder beschermingsbewind wordt gesteld. Verzoekster ontvangt inkomen uit een WW-uitkering van € 1.663,-- bruto per maand. De maandelijkse huurtermijn bedraagt € 676,--. De lopende huurtermijnen zijn niet voldaan.
3 Het verweer
Ter zitting hebben de gemachtigde van verweerster en de beheerder het volgende aangevoerd.
De totale vordering van verweerster op verzoekster bedraagt inmiddels bijna
€ 15.000,--. Verzoekster heeft vanaf 25 februari 2025 geen enkele huurbetaling meer verricht. Verweerster is heel coulant geweest naar verzoekster door haar al eerder uitstel van betaling te geven. De beheerder heeft uiteengezet dat er ook altijd goed contact is geweest met verzoekster. De huurbetalingen liepen in het verleden ook stroef, maar er was regelmatig contact. Verweerster heeft in mei 2025 een melding vroeg-signalering gedaan bij de gemeente, maar zij vraagt zich af in hoeverre verzoekster zelf inspanningen verricht om een schuldhulpverleningstraject succesvol te doorlopen. Daarnaast heeft verzoekster aan verweerster verklaard dat zij als erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire een schadevergoeding heeft ontvangen van € 30.000,--. Verzoekster had (een deel van) dit bedrag kunnen betalen aan verweerster om de achterstand in te lopen en de lopende huurtermijnen te voldoen, maar heeft dit niet gedaan. Verweerster heeft er geen enkel vertrouwen (meer) in dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2026 tot ontruiming van de woning van verzoekster en een kopie van het exploot van 11 augustus 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 september 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomen uit een WW-uitkering, aangevuld met huur- en zorgtoeslag. Ook de meerderjarige inwonende zoon van verzoekster kan een bijdrage leveren in de woonlasten. Het inkomen van verzoekster zou voldoende moeten zijn om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Desondanks heeft verzoekster de afgelopen 22 maanden geen enkele huurtermijn meer voldaan. Verzoekster heeft, ook nadat de kantonrechter in kort geding haar een laatste kans heeft gegeven, wederom niet de lopende huurtermijnen over de maanden september 2026 en oktober 2026 voldaan. Bovendien is verzoekster niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven. Er heeft een intakegesprek plaatsgevonden met schuldhulpverlening in juni 2026. Schuldhulpverlening is ook niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven omtrent de huidige stand van zaken van het traject. De betaling van de lopende huurtermijnen is niet gewaarborgd.
Tegen bovengenoemde achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder weegt dan het belang verzoekster en wijst daarom het verzoek ex artikel 287b Fw af.
Nu niet aannemelijk is dat een minnelijk traject op korte termijn zal zijn gestart of afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.H. Penning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.