Personen- en familierecht

Art. 1:377b BW. De rechtbank stelt ambtshalve een informatieregeling vast.

Rechtbank Rotterdam, 28 april 2022

Zaakgegevens

Op 28 april 2022 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
28 april 2022
Datum publicatie
6 mei 2022
Zaaknummer
C/10/630469 / FA RK 21-9419 en C/10/633255 / FA R
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:3406
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 1:377b BW. De rechtbank stelt ambtshalve een informatieregeling vast.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/630469 / FA RK 21-9419

C/10/633255 / FA RK 22-867

Beschikking van 28 april 2022 betreffende het ouderlijk gezag, de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats man] ( [land] ),

advocaat mr. A.P. van Stralen te Utrecht,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. V. Vos te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

In de procedure met zaak-/rekestnummer C/10/630469 / FA RK 21-9419:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 15 december 2021;

  • het bericht met bijlagen van de zijde van de man van 21 januari 2022;

In de procedure met zaak-/rekestnummer C/10/633255 / FA RK 22-867:

- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 8 februari 2022;

In beide procedures:

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 maart 2022.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022. Daarbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

2.2.

De man heeft, voor zover de rechtbank heeft kunnen vaststellen, de Egyptische nationaliteit en de vrouw heeft de Belgische nationaliteit.

2.3.

Uit de moeder is geboren de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2017 te [geboorteplaats minderjarige] ( [geboorteland minderjarige] ).

2.4.

De rechtbank te Luik heeft het juridisch vaderschap van de man bij beschikking van 6 april 2018 gerechtelijk vastgesteld.

2.5.

De minderjarige heeft de Belgische nationaliteit en hij heeft zijn hoofdverblijfplaats in Nederland.

3. De beoordeling

In de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv

3.1.

Zorg- dan wel omgangsregeling

3.1.1.

De man verzoekt om een voorlopige regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen, waarbij de man en de minderjarige om de week op zaterdagmiddag van 12:00 uur tot 17:00 uur contact hebben en op de zaterdagen waarbij er geen fysiek contact is, via videobellen contact is.

3.1.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.1.3.

De voorlopige voorziening en de hoofdzaak zijn – met instemming van partijen – gelijktijdig behandeld. De rechtbank zal hieronder een (voorlopige) beslissing nemen in de hoofdzaak waarin eveneens een zorg- dan wel omgangsregeling is verzocht. De rechtbank is van oordeel dat partijen hierdoor geen belang meer hebben bij een beslissing in het kader van een voorlopige voorziening. Het verzoek van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.

In de bodemprocedure

3.2.

Gezag

3.2.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek primair voor recht te verklaren dat de vrouw alleen het gezag heeft over de minderjarige en subsidiair te bepalen dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de vrouw voortaan alleen belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.2.3.

De man stelt aanvankelijk dat de rechtbank niet bevoegd is om het verzoek van de vrouw in behandeling te nemen, omdat door de vrouw eerder een gelijkluidend verzoek is ingediend bij de rechtbank in Luik. De vrouw bevestigt dat zij een procedure is gestart in Luik, maar zij stelt dat deze is ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man dat erkend. Aldus kan ervan worden uitgegaan dat de procedure in Luik is ingetrokken.

3.2.4.

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van de Brussel II-bis Verordening bevoegd te beslissen op het verzoek omtrent het gezag over de minderjarige. Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van de geboorte in België is gelegen, past de Nederlandse rechter op grond van artikel 16 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Belgisch recht toe op het ontstaan van het (gezamenlijk) ouderlijk gezag. Artikel 373 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ouders die met elkaar samenleven het ouderlijk gezag over het kind samen uitoefenen. Als op grond van het Belgisch recht (gezamenlijk) ouderlijk gezag is ontstaan, blijft dat op grond van artikel 16 lid 3 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 bestaan na verplaatsing van de gewone verblijfplaats van de minderjarige naar een andere Staat, in dit geval Nederland.

Inhoudelijk

3.2.5.

Aan de orde is de vraag of partijen tijdens de geboorte van de minderjarige samenleefden. De vrouw stelt dat partijen op dat moment niet samenleefden. Zij heeft dit onderbouwd met een verklaring omtrent haar gezinssamenstelling per 1 augustus 2017 van de ambtenaar van de burgerlijke stand van Luik waaruit blijkt dat slechts de vrouw en de minderjarige ingeschreven stonden in de woning in Luik. Zij stelt voorts, en dat heeft de man niet betwist, dat de man niet aanwezig was bij de geboorte van de minderjarige. De rechtbank is van oordeel dat de man de stelling van de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De man had (en heeft nog steeds) een echtgenote en vier kinderen in Egypte. Hij werkte (en werkt) in een deel van Europa waardoor hij afwisselende periodes in Europa verblijft. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling betaalbewijzen en bankafschriften getoond waaruit blijkt dat de man veelvuldig in Europa is geweest. Slechts enkele daarvan dateren uit 2017, het jaar waarin de minderjarige is geboren, en nog minder daarvan hebben betrekking op de stad Luik, of de omgeving daarvan. Dit maakt de stelling van de man dat partijen hebben samengewoond onwaarschijnlijk. Omdat daarmee voldoende is komen vast te staan dat partijen tijdens de geboorte van de minderjarige niet samenleefden, is het rechtsgevolg dat het Belgisch recht aan samenleven verbindt, niet ingetreden. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen en voor recht verklaren dat de vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.

3.2.6.

Omdat het primaire verzoek van de vrouw wordt toegewezen komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke behandeling van het subsidiaire verzoek van de vrouw.

3.3.

Omgangsregeling

3.3.1.

Omdat voor recht zal worden verklaard dat de vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige, zal hierna worden gesproken van een omgangsregeling. De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen, opbouwend van een middag in de week na (de rechtbank begrijpt: naar) een weekend en dat de minderjarige gedurende de helft van de vakanties bij de man zal verblijven.

3.3.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.3.3.

Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van de Brussel II-bis Verordening bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.

Inhoudelijk

3.3.4.

Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.3.5.

Op het moment is er geheel geen contact tussen de man en de minderjarige. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat partijen verschillende visies op de situatie hebben die lijnrecht tegenover elkaar staan. Volgens de vrouw is zij met de minderjarige vanuit België naar Nederland gevlucht uit angst voor de man vanwege huiselijk geweld. De vrouw heeft hiervan aangifte gedaan tegen de man en op advies van de politie verblijft zij op een geheim adres van [naam stichting] . De vrouw bezoekt een psychiater en gebruikt medicatie vanwege herbelevingen. Volgens de vrouw slaan de spanningen die zij ervaart over op de minderjarige. Omgang tussen de man en de minderjarige zal volgens haar een negatieve invloed hebben op zowel de vrouw als de minderjarige. De man betwist de lezing van de vrouw. Volgens de man is nimmer sprake geweest van huiselijk geweld en de man is niet bekend met een aangifte tegen hem. Zelfs na de verhuizing van de vrouw naar Nederland hebben partijen elkaar meermaals in Luik ontmoet. De situatie die de vrouw schetst, is volgens de man slechts gebaseerd op haar verhaal en niet nader onderbouwd.

3.3.6.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank zich onvoldoende ingelicht om nu al een beslissing te nemen ten aanzien van de omgangsregeling. Alvorens ten aanzien van dit onderwerp te kunnen beslissen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat er onderzoek wordt gedaan naar de draagkracht van de vrouw en de minderjarige, naar de haalbaarheid van een omgangsregeling en hoe deze zo mogelijk kan worden vormgegeven. Het Uniform Hulpaanbod lijkt voor partijen niet mogelijk, omdat zij de Nederlandse taal niet machtig zijn. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht onderzoek doet naar de bovengenoemde punten en de rechtbank adviseert. Om deze reden wordt de behandeling op dit punt voor negen maanden aangehouden en zal de raad worden verzocht onderzoek te doen en te adviseren.

3.4.

Informatieregeling

De rechtbank overweegt dat de vrouw een wettelijke plicht heeft om als ouder met gezag de man als ouder zonder gezag, te informeren over de minderjarige (artikel 1:377b BW). Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het daarom op de weg van de vrouw ligt de man regelmatig te informeren over het welzijn van de minderjarige en hem op deze wijze te betrekken bij het leven van de minderjarige. Dit is naar het oordeel van de rechtbank ook in het belang van de minderjarige omdat het contact tussen de minderjarige en de man te zijner tijd mogelijk zal worden hersteld. Gelet op het voorgaande en omdat de rechtbank nu geen omgangsregeling zal vaststellen tussen de man en de minderjarige, ziet de rechtbank aanleiding om ambtshalve een informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de vrouw – al dan niet door tussenkomst van een derde – de man ten minste maandelijks informatie zal verschaffen over het wel en wee van de minderjarige en daarbij een of meerdere foto’s van de minderjarige zal voegen. Indien de man een foto naar de minderjarige stuurt, dan zal de vrouw die foto aan de minderjarige laten zien en op een positieve manier bespreken.

3.5.

Proceskosten

Omdat ten aanzien van de omgangsregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4. De beslissing

De rechtbank:

In de voorlopige voorziening:

4.1.

wijst de verzoeken van de man af.

In de bodemprocedure:

4.2.

verklaart voor recht dat de vrouw met het eenhoofdig ouderlijk gezag is belast;

4.3.

bepaalt dat de vrouw vanaf nu ten minste eenmaal per maand een verslag van de belangrijke ontwikkelingen en bezigheden van de minderjarige, alsmede (een) recente en goed gelijkende kleurenfoto(’s) van de minderjarige doet toekomen aan de man;

4.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

4.5.

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van het omgangsrecht wordt aangehouden tot 1 februari 2023 PRO FORMA;

4.6.

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis met betrekking tot de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

4.7.

bepaalt dat – zodra de rechtbank in de onderhavige zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hierop schriftelijk te reageren, waarna – indien nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip;

4.8.

bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen.

4.9.

wijst af het meer of anders verzochte;

Deze beschikking is gegeven door mr. M.W.J. van Elsdingen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier D. Mühlbacher op 28 april 2022.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.