Personen- en familierecht
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
Rechtbank Rotterdam, 20 januari 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:2891 · Rechtbank Rotterdam · 20 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbrot-2025-2891
Zaakgegevens
Op 20 januari 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 20 januari 2025
- Datum publicatie
- 5 maart 2025
- Zaaknummer
- C/10/690666 / JE RK 24-2629
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2025:2891
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/690666 / JE RK 24-2629
Datum uitspraak: 20 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige ] ,
geboren op [geboortedatum ] 2010 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige ].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1],
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 6 december 2024.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam].
Opgeroepen maar niet verschenen is een vertegenwoordig(st)er van de Gecertificeerde Instelling, Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI).
De kinderrechter heeft [minderjarige ] naar haar mening gevraagd. [minderjarige ] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige ] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige ].
[minderjarige ] woont bij haar moeder.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige ] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn grote zorgen over [minderjarige ]. [minderjarige ] heeft jaren in een onveilige situatie verkeerd en kampt met sombere gedachtes. Daarnaast zijn er zorgen over haar schoolverzuim en sociaal-emotionele ontwikkeling. Het contact tussen [minderjarige ] en de vader is verloren gegaan. Gezien wordt dat de moeder overbelast is en geen grip (meer) heeft op [minderjarige ]. De Raad heeft al eens eerder een raadsonderzoek naar [minderjarige ] ingesteld. Destijds is de rapportage afgesloten met de inzet van hulp in het vrijwillig kader. Inmiddels is duidelijk dat, ondanks de prille positieve ontwikkelingen, de hulp in het vrijwillig kader onvoldoende van de grond komt en daarom op dit moment niet volstaat. Zodoende is de ondertoezichtstelling van [minderjarige ] nodig. Het doet de Raad voorkomen alsof het gezin vast zit in een patroon, waarbij het enige tijd goed lijkt te gaan en dan weer niet. De Raad adviseert systeemtherapie en stelt verder dat er gewerkt moet worden aan het contactherstel tussen de vader en [minderjarige ]. Het is van belang dat de GI de regie krijgt, zodat de hulp die is opgestart gevolgd en, waar nodig, uitgebreid kan worden.
4 De standpunten
De moeder heeft ter zitting het volgende standpunt ingenomen. De moeder erkent dat [minderjarige ] eerder zelfbepalend gedrag liet zien. Naar aanleiding hiervan is de moeder met de jeugd-en gezinscoach in gesprek gegaan over de eventuele ondertoezichtstelling van [minderjarige ] teneinde meer grip op de situatie te krijgen. Sinds dit gesprek is [minderjarige ] bijgedraaid. [minderjarige ] is niet meer s ’nachts op straat geweest en gaat naar de Binnenhaven. Ook zijn er geluiden dat [minderjarige ] weer terug zou kunnen naar haar oude school. Zodoende herkent de moeder de gestelde zorgen van de Raad niet langer. De moeder vermoed dat [minderjarige ] geschrokken is van het verzoek en dat dit haar heeft doen bijdraaien. Verder geeft de moeder aan meermaals geprobeerd te hebben de vader bij de opvoeding van [minderjarige ] te betrekken, maar dat hij dit steeds zelf heeft laten afweten. De moeder geeft aan dat de vader niet (emotioneel) beschikbaar is voor [minderjarige ] en geen aansluiting bij haar vindt.
De vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader heeft op dit moment geen contact met de moeder en [minderjarige ], en was zodoende niet op de hoogte van de onderhavige situatie. De vader is geschrokken van wat er volgens de stukken allemaal speelt. De vader heeft het idee dat er sprake is van een patroon; dan gaat het een tijdje goed en daarna weer niet. Verder geeft de vader aan wel graag contact met [minderjarige ] te willen en open te staan voor hulpverlening. De vader wil dat er een oplossing komt, en wil [minderjarige ] en de moeder ondersteunen waar nodig.
5 De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [minderjarige ] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er zijn zorgen over haar persoonlijk problematiek en over de stabiliteit van haar opvoedsituatie bij de moeder. [minderjarige ] vertoont zelfbepalend gedrag, kampt met sombere gedachtes, loopt weg van huis en is uitgevallen op school. Daarnaast zijn er vermoedens dat [minderjarige ] jarenlang getuige is geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en haar ex-partner (niet de vader van [minderjarige ]), en heeft [minderjarige ] op dit moment geen contact met haar vader. De moeder heeft geen grip meer op [minderjarige ] en is overbelast. Ook de vader is, vanwege het ontbrekende contact, niet in staat gebleken verandering te brengen in de situatie. De ouders lijken open te staan voor de hulpverlening maar zijn op dit moment onvoldoende in staat deze te accepteren.
Sinds het verzoek van de Raad zijn er prille positieve ontwikkelingen in de situatie. Zo zou [minderjarige ] niet meer tot laat in avond op straat zijn, loopt zij niet meer weg en volgt zij weer onderwijs. Daarnaast is het positief dat [minderjarige ] inziet dat zij hulp nodig heeft bij haar persoonlijke problematiek, en aangeeft hiervoor open te staan zolang dit dichtbij huis kan. Hierdoor is meer rust ontstaan in de thuissituatie bij de moeder. Hoewel de hulpverlening in het vrijwillig kader dus wel enige positieve ontwikkelingen teweeg heeft gebracht, zijn deze nog onvoldoende om de ontwikkelingsbedreigingen voor [minderjarige ] weg te nemen. Om deze reden is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer, in het kader van de ondertoezichtstelling, nodig is om het gezin de ondersteuning en begeleiding te bieden die zij nodig hebben om samen met hen deze stijgende lijn voort te zetten en de hulpverlening uit te breiden waar nodig. Het is de aankomende periode van belang dat er bezien wordt of, en op welke manier, er gewerkt kan worden aan het contactherstel tussen de vader, [minderjarige ] en de moeder. Het is immers voor ieder kind van groot belang dat zij onbelast contact kunnen hebben met allebei de ouders.
Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling voor een kortere duur te verlenen dan door de Raad verzocht, te weten voor de duur van zes maanden, en de beslissing op het resterende deel van het verzoek van de Raad aan te houden tot de hierna te noemen pro forma datum, zodat tegen die tijd kan worden bezien hoe het gezin zich verder heeft ontwikkeld en of een verdere ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is of dat er volstaan kan worden met hulpverlening in het vrijwillig kader. De moeder en [minderjarige ] dienen de kans te krijgen om te laten zien dat zij de positieve ontwikkeling weten vast te houden en de hulpverlening (blijven) accepteren.
De kinderrechter verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen pro forma datum te rapporteren over de stand van zaken en daarbij aan te geven of het restant van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige ] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 20 januari 2025 tot 20 juli 2025;
en alvorens verder te beslissen:
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juni 2025 pro forma;
bepaalt dat de Raad, de GI, [minderjarige ] en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI en de belanghebbenden) de verzochte rapportage te doen toekomen.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2025, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier. |
||
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
-
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.