Personen- en familierecht
Omgangsregeling. Art. 1:377a BW. Huiselijk geweld. Rb. acht omgangsregeling niet in belang minderjarigen. Wel…
Rechtbank Rotterdam, 21 augustus 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:12333 · Rechtbank Rotterdam · 21 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbrot-2026-12333
Zaakgegevens
Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 augustus 2026
- Datum publicatie
- 21 september 2026
- Zaaknummer
- C/10/714768 / FA RK 26-1140
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:12333
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Omgangsregeling. Art. 1:377a BW. Huiselijk geweld. Rb. acht omgangsregeling niet in belang minderjarigen. Wel wordt een informatieregeling bepaald.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/714768 / FA RK 26-1140
Beschikking van 21 augustus 2026 over voorlopige voorzieningen, de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de informatieregeling
in de zaak van:
[naam 1] , hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A.G. Ouwejan te Utrecht,
t e g e n
[naam 2] , hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. E.E. Vas te Rotterdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de beschikking van 20 maart 2026;
-
het verslag met bijlagen van de bijzondere curator mr. M.F.A van Pelt (hierna: de bijzondere curator), ingekomen 29 juni 2026.
-
het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 juli 2026;
-
het bericht van de man van 9 juli 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de bijzondere curator;
-
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben op 16 juli 2026 een gesprek gehad met de kinderrechter.
2 De vaststaande feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarigen erkend.
De vrouw het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 maart 2026 is mr. M.F.A. van Pelt benoemd tot bijzondere curator ten behoeve van de belangenbehartiging van de minderjarigen en is de behandeling van de zaak aangehouden tot 1 april 2026 pro forma.
3 De beoordeling
Voorlopige voorziening (artikel 223 Rv)
De man heeft zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. De rechtbank zal daarom dit verzoek afwijzen.
Omgangsregeling
De man verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen, inhoudende dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen bij de man verblijven.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 1:377a BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
-
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
-
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
-
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
-
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat partijen een turbulente relatie hebben gehad waarin veel is gebeurd. Hoewel door de man betwist, acht de rechtbank de stelling van de vrouw voldoende onderbouwd dat deze relatie werd gekenmerkt door huiselijk geweld van de man richting de vrouw. Dit leidt de rechtbank af uit de incidenten van huiselijk geweld die in het dossier worden genoemd, de verklaring van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling en de weerstand van de minderjarigen tegen het contact met hun vader. De minderjarigen zijn getuige geweest van dit geweld. Daarnaast is gebleken dat de man gedurende langere periodes uit beeld is geweest, omdat hij meermaals in detentie heeft gezeten. Na zijn laatste detentieperiode in 2024 is de man volledig uit beeld geraakt. De man wenst nu het contact tussen hem en de minderjarigen onder verantwoorde begeleiding te herstellen. De vraag die voorligt is of vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen in het belang van de minderjarigen kan worden geacht.
Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 20 maart 2026 heeft de rechtbank ambtshalve een bijzondere curator benoemd om de belangen van de minderjarigen te behartigen. De rechtbank overwoog daartoe dat de minderjarigen geen contact hebben met de man en dat daarmee sprake is van een belangenstrijd tussen de ouders en de minderjarigen. De bijzondere curator heeft vervolgens met de minderjarigen gesproken en verslag uitgebracht van haar bevindingen en haar advies. Dit heeft zij tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht en zal hieronder worden besproken.
Ten aanzien van [minderjarige 1] geldt dat zij inmiddels veertien jaar oud is en dat zij de man sinds zijn eerste detentieperiode, die in 2019 aanving, niet meer heeft gesproken. Partijen hebben bevestigd dat destijds nog is geprobeerd om enige vorm van contact tussen de man en [minderjarige 1] tot stand te brengen, maar dat [minderjarige 1] daar geen behoefte aan had. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bijzondere curator toegelicht dat [minderjarige 1] nog steeds geen behoefte heeft aan contact met de man en dat zij zich gedurende de periode waarin de man deel uitmaakte van haar leven, onveilig heeft gevoeld. De bijzondere curator heeft daarbij benadrukt dat [minderjarige 1] in staat moet worden gesteld haar grenzen aan te geven en dat deze grenzen dienen te worden gerespecteerd. Ook voor de rechtbank is duidelijk geworden dat [minderjarige 1] veel heeft meegemaakt en dat zij geen ruimte heeft voor contact met de man. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] en haar weerstand tegen contact met de man, het vaststellen van omgang in strijd is met haar zwaarwegende belangen (artikel 1:377a lid 3 sub d BW).
Ten aanzien van [minderjarige 2] geldt dat de situatie tussen haar en de man anders ligt dan bij [minderjarige 1] . Dit komt doordat er tussen de detentieperiodes van de man nog omgangsmomenten tussen [minderjarige 2] en de man hebben plaatsgevonden. Het laatste contact heeft in 2024 plaatsgevonden. Daarnaast is [minderjarige 2] pas acht jaar en daarmee een stuk jonger dan haar zus. Zij heeft daardoor niet meegekregen dat haar vader in detentie heeft gezeten. De man geeft aan dat de omgangsmomenten tussen hem en [minderjarige 2] goed zijn verlopen en dat hij het gevoel heeft dat [minderjarige 2] deze als prettig heeft ervaren. Hoewel de vrouw erkent dat er ook leuke momenten tussen zaten, stelt zij dat [minderjarige 2] na verloop van tijd aangaf niet meer naar de man toe te willen gaan. Volgens de vrouw voelde zij zich niet op haar gemak bij de man. Ook de bijzondere curator constateert dat [minderjarige 2] veel weerstand ervaart tegen het contact met de man. Zij legt uit dat [minderjarige 2] eerst hulp nodig heeft bij de problemen die zij ervaart en dat samen met hulpverlening moet worden onderzocht wat zij nodig heeft en waar zij aan toe is. Op dit moment is niet duidelijk of zij begeleiding nodig heeft bij het verwerken van gevoelens van verdriet of verlies, dan wel toe is aan het herstellen van het contact met de man. Daarbij benadrukt de bijzondere curator dat hulpverlening niet per definitie hoeft te leiden tot contactherstel met de man. Voor [minderjarige 2] is het bovendien lastig dat haar moeder en oudere zus angstig zijn voor de man, aldus de bijzondere curator.
Gelet het voorgaande acht de rechtbank zich voldoende geïnformeerd en ziet zij, anders dan de suggestie van de raad en de advocaat van de man, geen noodzaak om ten aanzien van [minderjarige 2] een raadsonderzoek te gelasten. De rechtbank is van oordeel dat het voornaamste belang is dat wordt ingezet op passende hulpverlening voor [minderjarige 2] , zodat zij zich zo onbelast mogelijk kan ontwikkelen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het niet in haar belang om op dit moment omgang met de man vast te stellen. Daarbij komt dat [minderjarige 2] in een moeilijke positie wordt gebracht als zij wordt verplicht tot omgang met haar vader. De twee personen met wie zij een gezin vormt, de vrouw en haar oudere zus, willen om verklaarbare redenen geen contact met hem. De last op de schouders van [minderjarige 2] om haar dan als enige contact te laten onderhouden met de man, die zij inmiddels niet meer goed kent, is te groot.
Bovendien is de rechtbank het met de raad eens dat het van belang is dat de vrouw voldoende emotionele ruimte en draagvlak heeft om de zorg voor de minderjarigen te kunnen blijven dragen. Zij is immers de hoofdverzorger van de minderjarigen. De rechtbank constateert dat de vrouw nog steeds angstig is voor de man en getraumatiseerd lijkt door hetgeen zich binnen hun relatie heeft afgespeeld. Zij heeft daardoor onvoldoende draagvlak om [minderjarige 2] (opnieuw) te ondersteunen bij eventueel contactherstel met de man. Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat ook het vaststellen van omgang tussen [minderjarige 2] en de man in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige 2] (artikel 1:377a lid 3 sub d BW).
Het voorgaande betekent dat de verzoeken van de man worden afgewezen.
Informatieregeling
De man verzoekt een informatieregeling vast te stellen. Die regeling houdt in dat de vrouw één keer per maand de man schriftelijk informeert omtrent het welzijn van de kinderen en een recente foto verstrekt, althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daarover te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat indien het belang van het kind zulks vereist de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve kan bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
De rechtbank overweegt als volgt. De man wenst dat hem zoveel mogelijk informatie over de minderjarigen wordt verstrekt, terwijl de vrouw dit niet wil. Zij geeft daarbij aan dat zij ook de wens van [minderjarige 1] om geen informatie te verstrekken wil respecteren. Hoewel de rechtbank hiervoor begrip heeft, vloeit uit de wet voort dat de vrouw de man op de hoogte zal moeten houden van belangrijke zaken over de minderjarigen omdat zij het eenhoofdig gezag heeft en de dagelijkse verzorgende ouder van de minderjarigen is. Dit geldt des te meer nu de man geen contact heeft met de minderjarigen. De rechtbank zal daarom een passende informatieregeling bepalen, waarbij zij gedeeltelijk tegemoet komt aan de wensen van [minderjarige 1] . De rechtbank zal op die manier beslissen.
Beëindigen taak bijzondere curatoren
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curatoren in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curatoren. De rechtbank zal op die manier beslissen.
4 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt een informatieregeling, te weten:
-
de vrouw stelt de man vanaf 1 oktober 2026 eenmaal per kwartaal (telkens de 1e van die maand) per e-mail op de hoogte over de belangrijke ontwikkelingen rondom de minderjarigen, waarbij informatie wordt gegeven over hun gezondheid, schoolontwikkelingen, hobby’s en activiteiten;
-
waarbij telkens een recente en goed lijkende foto van [minderjarige 2] wordt verstrekt en geen foto’s van [minderjarige 1] worden verstrekt;
-
de man zal niet reageren op deze informatieverstrekking door de vrouw;
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curatoren mr. M.F.A. van Pelt met ingang van heden wordt beëindigd;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.W.J. van der Veen, griffier, op 21 augustus 2026. |
||
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.