Personen- en familierecht

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Na een lange periode en…

Rechtbank Rotterdam, 26 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/713199 / JE RK 26-64
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:13440
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Na een lange periode en vele inspanningen is de officiële pleegzorg voor de minderjarige goed geregeld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/713199 / JE RK 26-64

Datum uitspraak: 26 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam pleegvader],

hierna te noemen: de pleegvader, wonende in [woonplaats].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 mei 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de briefrapportage van de GI met bijlagen van 19 augustus 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.

1.2.

Op 26 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder;

  • de pleegvader;

- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft bij de pleegvader.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot [geboortedatum] 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 31 augustus 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3 Het (aangehouden) verzoek

3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid. Over de periode tot 31 augustus 2026 is reeds beslist. Er resteert nu een beslissing over de periode tot [geboortedatum] 2026.

3.2.

De GI handhaaft het verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. De GI is erg blij dat het is gelukt om de pleegzorg voor [minderjarige] te regelen en dat het ook doorloopt na zijn achttiende verjaardag. Het is te danken aan de inzet van alle betrokkenen om [minderjarige] heen, dat het nu goed is geregeld.

4 De standpunten

4.1.

De moeder brengt ter zitting het volgende naar voren. De moeder is erg blij dat het gelukt is om de pleegzorg voor [minderjarige] te regelen. De moeder is hierover ook met de wethouder in gesprek gegaan en het gaat nu eindelijk de goede kant op.

4.2.

De pleegvader brengt ter zitting het volgende naar voren. De pleegvader heeft de gesprekken met de pleegzorgorganisatie als prettig ervaren en hij is blij dat de pleegzorg nu goed is geregeld.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

5.2.

[minderjarige] woont al lange tijd bij de pleegvader. Dat gaat goed en het is de bedoeling dat hij daar nog een tijd blijft wonen. Tijdens de zitting van 17 februari 2026 is door de GI toegezegd dat zij zal onderzoeken of pleegzorgvergoeding met pleegzorgbegeleiding mogelijk is, aangezien de pleegvader deze rol voor [minderjarige] (en zijn oudere broer) al vele jaren vervult en dat na [minderjarige] achttiende levensjaar ook nog zal doen. Tijdens de zitting van 20 mei 2026 is gebleken dat de GI weliswaar een toezegging had van het Centrum Jeugd en Gezin dat zij ervoor in staat dat de financiering en passende jeugdhulp worden geregeld, maar dat dit toen nog niet rond was. De kinderrechter achtte het daarom op 20 mei 2026 van belang een vinger aan de pols te houden. Het is immers in het belang van (een positieve ontwikkeling van ) [minderjarige] dat hij de stabiele en fijne woonplek bij zijn pleegvader ook na zijn achttiende verjaardag kan behouden.

5.3.

Tijdens de zitting van vandaag is gebleken dat de aanvraag voor pleegzorg is goedgekeurd en dat de pleegzorgbegeleiding en -vergoeding is gestart. De officiële pleegzorg (met begeleiding en financiering) van de pleegvader voor [minderjarige] zal ook na [minderjarige]’s achttiende verjaardag doorlopen. Dit biedt [minderjarige] (en de moeder en de pleegvader) rust en stabiliteit. De kinderrechter spreekt haar waardering uit voor de inzet van alle betrokkenen om dit in het belang van [minderjarige] mogelijk te maken. [minderjarige] wordt over enkele dagen 18 jaar. Hij heeft toekomstplannen en heeft aangegeven dat het hem rust geeft dat de pleegzorg nu goed geregeld is.

5.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier, en op schrift gesteld door mr. E.T. van Ringelesteijn op 7 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.