Personen- en familierecht

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

Rechtbank Rotterdam, 11 september 2026

Zaakgegevens

Op 11 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
11 september 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/725484 / JE RK 26-1693
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:13779
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/725484 / JE RK 26-1693

Datum uitspraak: 11 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,

bijgestaan door advocaat mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende in Rotterdam,

Mr. L.A. Middelkoop,

hierna te noemen de bijzondere curator, kantoorhoudende in Rotterdam.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[informant] ,

hierna te noemen [informant] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de GI van 26 augustus 2026 met bijlagen, ingekomen op 27 augustus 2026;

  • het gezinsplan van de GI van 3 september 2026, ingekomen op diezelfde datum;

  • het verslag van de bijzondere curator van 8 september 2026, ingekomen op 9 september 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;

  • [informant] ;

  • de bijzondere curator;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .

1.3.

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mr. Schelkens, advocaat-stagiair, tevens kantoorgenoot van de bijzondere curator.

1.4.

De kinderrechter heeft met [minderjarige] een kindgesprek gevoerd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft in het huis dat [minderjarige] van de vader heeft geërfd, samen met een vriend van de vader, [informant] .

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 maart 2027 en een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij [informant] in de woning van de vader, tot 20 september 2026. De kinderrechter heeft bij dezelfde beschikking mr. L.A. Middelkoop herbenoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] tot 20 september 2026.

3 Het verzoek van de GI

3.1.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het huis van de vader te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI handhaaft het verzoek ter zitting. De GI licht het verzoek als volgt toe. Vanuit de GI heeft de begeleiding enige tijd stilgelegen vanwege het uitvallen van de betrokken jeugdbeschermer. Sinds kort is een nieuwe jeugdbeschermer betrokken bij [minderjarige] . De GI erkent dat hierdoor vertraging is ontstaan in het oppakken van de hulpverlening en het verkrijgen van duidelijkheid over de situatie van [minderjarige] . Het is belangrijk dat dit er wel komt. De huidige verblijfssituatie biedt [minderjarige] rust en stabiliteit, maar nog onvoldoende duidelijk is hoe dagelijkse verzorging, begeleiding en toezicht van [minderjarige] is georganiseerd en of dit aansluit bij wat [minderjarige] nodig heeft. Ook moet duidelijk worden welke formele positie [informant] heeft en wat het toekomstperspectief van [minderjarige] is. [minderjarige] geeft duidelijk aan in de huidige woning te willen blijven wonen en niet bij de moeder. De GI vindt het belangrijk deze wens serieus te nemen en de huidige verblijfssituatie voorlopig te continueren. Tegelijkertijd moet worden onderzocht of en onder welke voorwaarden het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan worden hersteld. Het tempo van [minderjarige] is daarbij leidend. In het kader van contactherstel en rouwverwerking heeft [minderjarige] een aantal gesprekken gevoerd met een therapeut. [minderjarige] lijkt hier baat bij te hebben. Daarnaast is de GI voornemens [zorg instelling] in te zetten voor een neutrale, systemische blik op de gezinsdynamiek. Desgevraagd kan de GI zich vinden in een verlenging voor kortere duur dan verzocht en aanhouding van het overige deel van het verzoek.

4 De standpunten

4.1.

Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder heeft ter zitting haar standpunt voorgelezen en vervolgens overgelegd. Zij mist [minderjarige] en vindt het verdrietig dat het contact tussen hen zo beperkt is. De moeder begrijpt dat [minderjarige] niet bij de moeder wil wonen en wil [minderjarige] daartoe niet dwingen. Het is van belang dat [minderjarige] rust en stabiliteit krijgt, maar dit niet mag betekenen dat het contactherstel stil komt te liggen. De afgelopen periode is hier onvoldoende voortvarend aan gewerkt. Ook de GI en de bijzondere curator benadrukken het belang van contactherstel. Er moet niet enkel gekeken worden naar de wens van [minderjarige] en de vraag waar [minderjarige] op dit moment rust ervaart, maar ook naar wat de huidige situatie op langere termijn voor [minderjarige] betekent. Zij heeft zorgen over [minderjarige] ’ huidige verblijfssituatie met [informant] .Er moet volgens de moeder onderscheid gemaakt worden tussen het bieden van dagelijkse verzorging en het dragen van verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is nog niet volwassen en heeft gelet daarop naast basale verzorging ook borging en steun nodig.

4.2.

De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat de situatie van [minderjarige] zeer complex is en dat het uitvallen van de jeugdbeschermer tot stagnatie van het contactherstel en de verdere inzet van de hulpverlening heeft geleid. Het is van belang dat de moeder blijft aansluiten bij de mogelijkheden en wensen van [minderjarige] , en dat tegelijkertijd voortvarend wordt gewerkt aan contactherstel en passende hulpverlening. Op dit moment ziet de bijzondere curator geen andere mogelijkheid dan de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Daarbij acht zij het noodzakelijk dat de GI duidelijker de regie voert, de pleegzorgondersteuning alsnog regelt en de voortgang nauwlettend volgt. De bijzondere curator kan zich desgevraagd vinden in een korte verlenging en aanhouding van het overige verzoek. Zij verzoekt om verlenging van haar benoeming, omdat haar betrokkenheid gelet op de complexiteit van de situatie wenselijk is.

5 De informatie van de informant

5.1.

[informant] brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat hij vanaf het begin openstaat voor betrokkenheid van instanties en voor pleegzorgbegeleiding, maar dat dit nog altijd niet van de grond is gekomen. Volgens de GI was een formele screening vanuit pleegzorg niet mogelijk omdat [informant] inschreven staat op het adres van zijn eigen koophuis. Volgens [informant] is pleegzorgbegeleiding welkom om informeel te komen kijken achter de voordeur, zodat alsnog zicht komt op de thuissituatie van [minderjarige] . Tot slot staat hij ervoor open om, zoals door de moeder wordt verzocht, de moeder geregeld updates over [minderjarige] te geven.

6 De beoordeling

De machtiging tot uithuisplaatsing

6.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom.

6.2.

Sinds het overlijden van de vader woont [minderjarige] samen met [informant] in het huis dat [minderjarige] van de vader heeft geërfd.. [minderjarige] heeft in het kindgesprek aangegeven daar graag met [informant] te willen blijven wonen. [minderjarige] geeft aan dat [informant] helpt met de dagelijkse dingen. [informant] wil dat ook blijven doen zolang als nodig is.

6.3.

De kinderrechter stelt vast dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder al langere tijd zeer beperkt is. [minderjarige] ervaart veel wantrouwen richting moeder en heeft weerstand tegen herstel van de relatie. [minderjarige] ervaart op dit moment te weinig ruimte om aan het contactherstel te werken. [minderjarige] heeft eerst behoefte aan rust, stabiliteit en aandacht voor het eigen functioneren. [minderjarige] is bezig met een overstap naar een andere school en wil zich richten op het komende schooljaar. Dit is belangrijk voor haar examens volgend jaar. [minderjarige] ervaart daarnaast sociale angst, en is ook t het verlies van de vader nog aan het verwerken. Gelet op deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat de huidige woonsituatie moet worden gecontinueerd en dat terugkeer van [minderjarige] naar de moeder op dit moment niet aan de orde is. De moeder heeft ter zitting aangegeven dit te begrijpen en [minderjarige] daartoe niet te willen dwingen.

6.4.

Vanwege het uitvallen van de vorige jeugdbeschermer is vertraging ontstaan in het oppakken van de hulpverlening, het contactherstel met de moeder en het verkrijgen van duidelijkheid over de opvoedsituatie van [minderjarige] . \ De komende periode moet opnieuw ingezet worden op contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Het tempo van [minderjarige] is daarbij leidend. De GI is voornemens [zorg instelling] in te zetten voor een neutrale, systemische blik op de gezinsdynamiek. Ook dient pleegzorgbegeleiding alsnog van de grond te komen om zicht te krijgen op de thuissituatie van [minderjarige] . Nog onvoldoende duidelijk is hoe dagelijkse verzorging en begeleiding van [minderjarige] is georganiseerd en of dit aansluit bij wat [minderjarige] nodig heeft. Ook moet duidelijk worden welke formele positie [informant] heeft en wat het toekomstperspectief van [minderjarige] is. Nu het nog onvoldoende duidelijk is op welke wijze de GI deze vraagstukken gaat oppakken en wat dit gaat betekenen voor [minderjarige] , ziet de kinderrechter aanleiding om een vinger aan de pols te houden. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlenen voor een kortere duur dan verzocht.

6.5.

De behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk één week voor de hierna te bepalen zittingsdatum een schriftelijke rapportage in te dienen over het onderzoek naar de opvoedsituatie van [minderjarige] en de pleegzorgbegeleiding, de ontwikkelingen rondom het contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder en de inzet daartoe van [zorg instelling] , de inzet van de hulpverlening voor [minderjarige] , en het toekomstperspectief van [minderjarige] .

(her)benoeming bijzondere curator

6.6.

Tot slot acht de kinderrechter de betrokkenheid van de bijzondere curator bij

[minderjarige] nog steeds noodzakelijk. Het is van belang dat er iemand in en buiten rechte is die [minderjarige] kan vertegenwoordigen en al het nodige kan doen wat in het belang van [minderjarige] is. De

bijzondere curator heeft zich ter zitting bereid verklaard om de herbenoeming te

aanvaarden. De kinderrechter zal de bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW

herbenoemen tot bijzondere curator van [minderjarige] voor de duur van de machtiging tot

uithuisplaatsing, te weten tot 20 december 2026. De kinderrechter acht het daarbij in het bijzonder van belang dat de bijzondere curator op korte termijn in gesprek gaat met [minderjarige] , zodat voor [minderjarige] duidelijk is wat de (wederzijdse) verwachtingen en verplichtingen zijn.

6.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het huis dat [minderjarige] van de vader heeft geërfd met ingang van 11 september 2026 tot 20 december 2026;

7.2. (

(her)benoemt tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] te vertegenwoordigen: mr. L.A. Middelkoop. kantoorhoudende te Westersingel 92, 3015 LC Rotterdam;

7.3.

bepaalt dat deze benoeming geldt tot 20 december 2026;

7.4.

verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

7.5.

houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de moeder en de bijzondere curator in deze zaak zal plaatsvinden op 16 december 2026 om 10:15 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

7.6.

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. J. Groot, kinderrechter;

7.7.

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de bijzondere curator, de moeder en haar advocaat;

7.8.

gelast de oproeping van [informant] tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;

7.9.

vraagt de griffier [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek;

7.10.

verzoekt de GI uiterlijk één week voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder, haar advocaat en de bijzondere curator) de onder 6.5. verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos en mr. A. Pereira Horta als griffiers, en op schrift gesteld op 21 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.