Personen- en familierecht
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
Rechtbank Rotterdam, 16 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14205 · Rechtbank Rotterdam · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbrot-2026-14205
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 17 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/725782 / JE RK 26-1733
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14205
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/725782 / JE RK 26-1733
Datum uitspraak: 16 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat van de ouders: mr. S.E.M. Hooijman, kantoorhoudende in Rotterdam,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
-
het verzoekschrift van de Raad met bijlagen van 2 september 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
-
het raadsrapport met bijlagen van 9 september 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders en hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan een stagiair van de GI, [persoon A] .
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
[minderjarige 2] heeft geen mening gegeven.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juni 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 18 september 2026.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De Raad ziet ouders die heel betrokken zijn en die het beste willen voor de kinderen, maar er is sprake van onmacht en onvermogen. De ouders kampen met ernstige verslavingsproblematiek en de opvoedsituatie is op dit moment niet goed (genoeg) voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hulp in het gedwongen kader is noodzakelijk. Ook acht de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, zodat de ouders kunnen worden behandeld voor hun verslavingsproblematiek. Er dient een bestendigde verandering te komen in de huidige situatie. Op dit moment is er een patroon zichtbaar waarbij er periodes zijn waarin de ouders minder drugs en alcohol gebruiken, maar in opvolgende periodes vervallen zij in oude patronen. Nadat de ouders zijn behandeld kan er hulp in de thuissituatie worden ingezet. De Raad benadrukt dat het belangrijk is dat de ouders en de kinderen contact blijven hebben.
4 Het standpunt van de GI
De GI ondersteunt ter zitting het verzoek van de Raad. Gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling heeft de GI geprobeerd om de situatie te veranderen, zodat de kinderen thuis konden blijven wonen. Echter, ook tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling, blijft er sprake van middelengebruik. Er zijn weliswaar periodes dat er wordt gezegd dat er minder en zelfs niet wordt gebruikt, maar in de vakantie is er weer een nieuwe Veilig Thuis melding binnengekomen. Ook de veiligheidsafspraken leiden niet tot een wezenlijke verandering in de situatie. De ouders zijn allebei open over het middelengebruik en de patronen, maar de GI maakt zich forse zorgen. De GI acht het van belang dat de ouders behandeling krijgen voor hun verslaving, waarna er intensieve hulpverlening in de thuissituatie kan worden ingezet. Gelet op het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen, is de GI op zoek gegaan naar een mogelijke plek voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is een kleinschalige woonvoorziening in [locatie] gevonden, die passend lijkt voor de kinderen.
5 Het standpunt van de ouders
Door en namens de ouders wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek om de kinderen onder toezicht te stellen. Wel wordt verweer gevoerd tegen het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De ouders begrijpen dat de situatie – zoals deze is geweest – niet goed was. Het hele gezin heeft echter de schouders eronder gezet om een uithuisplaatsing van de kinderen te voorkomen. Zo heeft de vader inmiddels meerdere gesprekken gehad bij [zorg instelling 1] en zal er een behandelplan worden opgesteld. De aanmelding van de moeder bij [zorg instelling 1] verliep moeizaam, omdat de huisarts op vakantie was. Voor de moeder staat de komende maand een intake gepland. De ouders krijgen ieder een eigen behandelaar vanuit [zorg instelling 1] en het is het idee dat zij, naast de individuele behandeling voor de vader en de moeder, ook kijken naar de behandeling van het familiesysteem. De ouders zijn bereid de hulp in de thuissituatie te aanvaarden. Daarnaast zal de vader meewerken aan drugscontroles en urinecontroles. Ondanks dat er veel dingen niet goed gaan, gaat het goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij gaan naar school en hebben daar vrienden. [minderjarige 1] zit in haar eindexamenjaar en [minderjarige 2] heeft veel behoefte aan regelmaat en structuur. Een plaatsing in [locatie] zou ervoor zorgen dat de kinderen uit hun vertrouwde omgeving worden gehaald en dat zij niet op school kunnen blijven. Ook bemoeilijkt dit het onderlinge contact, omdat de ouders niet veel geld hebben om telkens naar [locatie] te reizen.
De vader brengt ter zitting naar voren dat er sinds de vakantie minder ruzie is en dat er zichtbaar een verandering is. De moeder voegt daaraan toe dat ook zij bereid is om mee te werken aan urinecontroles. Sinds de vakantie is er geen huiselijk geweld meer geweest.
6 De beoordeling
Ondertoezichtstelling
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden al een langere periode ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen zijn op 18 juni 2026 met spoed voorlopig onder toezicht gesteld, nadat de vader in de nacht van 14 op 15 juni 2026 onder invloed van middelen door de politie is aangehouden. In de auto trof de politie drugs, een mes en 38 cobra’s aan. Bij een daaropvolgende huiszoeking werden ook drugs en een mes aangetroffen, waarbij (blijkens politie informatie) de drugs op tafel en binnen handbereik van de kinderen lag. De vader heeft vervolgens een tijdelijk huisverbod opgelegd gekregen.
Uit het raadsrapport volgt dat er nog steeds grote zorgen zijn over de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun basale zorg. Er is sprake van complexe en meervoudige problematiek. De grootste zorg is gelegen in het intensieve middelengebruik door de ouders. Daarnaast kampen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met persoonlijke problematiek. Binnen het gezin is over een lange periode sprake (geweest) van problematisch (hard)drugs- en alcoholgebruik door de ouders en er vinden (in ieder geval tot voor kort) heftige ruzies plaats. Blijkens het raadsrapport dateert de eerste melding over vaders alcoholproblematiek uit 2021. De vader en de moeder zijn fysiek en emotioneel belast en kwetsbaar en kunnen hun emoties moeilijk reguleren. Er is sprake van verslaving, financiële problemen, relatieproblemen, huiselijk geweld, fysieke klachten, emotionele en psychische problemen en er is een onbalans in de draagkracht van de ouders. De Raad concludeert in het rapport dat ten gevolge van het middelengebruik van ouders, sprake is van forse, emotionele pedagogische en fysieke verwaarlozing van de kinderen. Ondanks de voorlopige ondertoezichtstelling en de betrokkenheid van de jeugdbeschermer is het de afgelopen periode niet gelukt om deze zorgen weg te nemen. Hoewel de ouders hebben aangegeven dat de situatie inmiddels is verbeterd, is er gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling op 27 juli 2026 een nieuwe melding bij Veilig Thuis binnengekomen, waarbij er zorgen zijn geuit over de vele ruzies tussen de gezinsleden, verbaal geweld, middelengebruik en politiecontacten van het gezin. Op de zitting is gebleken dat er op die dag inderdaad een (fysiek) incident tussen de moeder en [minderjarige 1] heeft plaatsgevonden. Verder is gebleken dat de ouders tijdens gesprekken met de jeugdbeschermers onder invloed van middelen (in ieder geval alcohol) verkeerden. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het goed doen op school, zijn er nog steeds zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ondanks dat er bij de ouders sprake is van excessief middelengebruik, lijken de kinderen dit inmiddels normaal te vinden. Er is sprake van een normvervaging rondom het alcohol- en drugsgebruik. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passen zich aan de huidige situatie aan om te proberen escalaties te voorkomen.
In het verleden is hulpverlening ([zorg instelling 2] en [zorg instelling 1]) bij het gezin betrokken geweest, maar dit heeft de zorgen niet kunnen wegnemen. De kinderrechter ziet ouders die bereid, maar onvoldoende in staat zijn om onder eigen verantwoordelijkheid de zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. De verslavingsproblematiek is dusdanig dat intensieve hulpverlening en behandeling noodzakelijk is om de situatie te veranderen. Daarna kan hulpverlening in de thuissituatie worden ingezet om de opvoedvaardigheden van de ouders te versterken.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Tegen de ondertoezichtstelling is ook geen verweer gevoerd.
Machtiging tot uithuisplaatsing
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Zoals hiervoor omschreven zijn de zorgen in de thuissituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] fors. Om de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen te kunnen waarborgen, is de kinderrechter met de Raad en de GI van oordeel dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Ter zitting is duidelijk geworden dat er in de regio geen plek beschikbaar is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Wel is er een kleinschalige woonvoorziening in [locatie] gevonden, waar beide kinderen terecht kunnen. Een plaatsing in [locatie] betekent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (voorlopig) niet naar hun huidige school kunnen en dat de kinderen ver bij de ouders vandaan worden geplaatst. De kinderrechter is met de ouders van oordeel dat dit onwenselijk is en betreurt ten zeerste dat er geen alternatieve plek voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de regio beschikbaar is. Tegelijkertijd is de kinderrechter met de Raad en de GI van oordeel dat de zorgen te groot zijn om de kinderen in de huidige, onveilige situatie te laten. Daarbij weegt de kinderrechter ook mee dat de verslavingsproblematiek van de ouders voorliggend is en dat de hulpverlening eerst gericht zal zijn op het middelengebruik, voordat intensieve systemische hulpverlening (zoals MST) ingezet kan worden. Hierdoor lukt het ook in het gedwongen kader dus niet om direct hulp in de thuissituatie in te zetten. Daarbij komt dat het de voorlopige inschatting van de GI is dat een ambulant traject niet zal volstaan en een langdurig traject (met mogelijke opname) nodig zal zijn voor beide ouders. De ouders zullen grote stappen moeten zetten, voordat uiteindelijk ook passende hulpverlening in de thuissituatie kan worden ingezet.
De kinderrechter acht het van belang dat de GI oog heeft voor de school van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , temeer nu [minderjarige 1] in haar examenjaar zit. De GI dient zich hier actief voor in te zetten. Daarnaast dient te GI ervoor te zorgen dat er regelmatig en frequent contact is tussen de kinderen en de ouders. De kinderrechter vertrouwt erop dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer wordt gebruikt dan nodig is. Wanneer de ouders behandeling ontvangen en er een blijvende verandering zichtbaar is, zal gekeken moeten worden of – met intensieve hulp – een thuisplaatsing weer mogelijk is.
Gelet op de ingrijpendheid van een uithuisplaatsing en de hulpverlening die de komende periode gaat opstarten, ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toe te wijzen voor een kortere duur dan is verzocht, te weten voor 6 maanden, onder aanhouding van de rest. Tegen die tijd kan worden bezien wat de stand van zaken is ten aanzien van het traject van de ouders. Ook zal dan worden gekeken of de maatregelen nog passend zijn. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de ouders de komende tijd benutten om, in het belang van de kinderen (en hun eigen belang), de nodige stappen te zetten.
De Raad wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen pro forma datum te rapporteren (met afschrift aan de GI, de ouders en mr. S.E.M. Hooijman) over de stand van zaken op dat moment en daarbij ook te vermelden of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 16 september 2026 tot 16 maart 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 september 2026 tot 16 maart 2027;
en alvorens te beslissen:
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat het verzoek wordt aangehouden tot 1 februari 2027 pro forma;
bepaalt dat de Raad, de GI, de ouders en mr. Hooijman op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter de onder 6.9. verzochte rapportage (met afschrift aan de ouders en mr. Hooijman) te doen toekomen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen en mr. F.W. Marijnen als griffiers, en op schrift gesteld op 30 september 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.