Personen- en familierecht

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De benodigde stappen zijn al in…

Rechtbank Rotterdam, 17 september 2026

Zaakgegevens

Op 17 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
17 september 2026
Datum publicatie
18 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/724598 / JE RK 26-1580
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14257
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De benodigde stappen zijn al in een vrijwillig gezet en de kinderrechter ziet daarom geen noodzaak voor een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/724598 / JE RK 26-1580

Datum uitspraak: 17 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. B. Özates uit Rotterdam,

[naam opa] en [naam oma],

hierna te noemen: de opa en oma vaderszijde (vz), wonende in [woonplaats 2].

De kinderrechter merkt als informanten aan:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna: de GI.

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende op een bij de rechtbank onbekend adres,

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 augustus 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder;

  • de opa en oma vz;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad];

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI].

1.3.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft bij de opa en oma vz.

3 De verzoeken

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de opa en oma vz te verlenen voor de duur van negen maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] woont sinds september 2025 vanuit het vrijwillig kader bij de opa en oma vz. [minderjarige] kon niet langer thuis wonen, met name vanwege de alcoholproblematiek van de moeder. De moeder werkt aan haar alcoholproblematiek, maar dit vraagt veel inspanning. Om die reden acht de Raad het nodig dat er vanuit het kader van een ondertoezichtstelling toezicht wordt gehouden. Daarnaast bestaat er op dit moment onduidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige]. De Raad vraagt zich af hoe lang [minderjarige] deze onduidelijkheid nog aankan. Mocht het zo zijn dat [minderjarige] niet meer kan terugkeren naar de moeder, dan moet hij dit zo snel mogelijk weten. Bovendien kan dit het beste worden gebracht door een neutraal tussenpersoon, bijvoorbeeld een jeugdbeschermer. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en moet daarom ook het nodige verwerken. Dat is belangrijk zodat hij zich ook op emotioneel vlak goed kan blijven ontwikkelen. De GI kan daarin begeleiden en kan beoordelen welke hulpverlening er mogelijk en passend is voor [minderjarige]. Iedereen hoopt dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer kan terugkeren naar de moeder, maar er bestaat ook een kans dat dit niet lukt. Vanuit een ondertoezichtstelling kan het perspectief worden bepaald en een jeugdbeschermer kan regie voeren als er moeilijke keuzes gemaakt moeten worden.

4.2.

De GI brengt ter zitting het volgende naar voren. Als er een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing zijn uitgesproken, moet er worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. Dit moet binnen ‘een aanvaardbare’ termijn gebeuren, maar deze termijn is nu nog niet verstreken. Het bepalen van het duurzame opvoedperspectief kan ook vanuit het vrijwillig kader. Pas als een perspectiefadvies niet wordt opgevolgd, dan zou er sprake kunnen zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Op dit moment ziet de GI die niet.

4.3.

Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. Aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing is niet voldaan. De moeder erkent dat er zorgen waren in de thuissituatie bij de moeder vanwege haar alcoholproblematiek. Tegelijkertijd geldt dat de moeder [minderjarige] zelf (al een jaar geleden) uit deze situatie heeft gehaald, dat zij al veel stappen in het vrijwillig kader heeft gezet en dat het nu goed gaat met [minderjarige] bij de opa en oma vz. Alle betrokkenen staan open voor hulp, waarvoor ook zelf aan de bel is getrokken. Er zijn ook geen zorgen over de situatie bij opa en oma vz. Op dit moment is het wijkteam betrokken en die hebben contact met de moeder. De moeder gaat ook aan de slag met hulpverlening voor [minderjarige]. Wellicht dat de hulp die zijn zus heeft vanuit Indigo, ook voor hem van waarde kan zijn.

4.4.

De opa en oma vz brengen ter zitting het volgende naar voren. Zij hebben veel opgegeven voor [minderjarige], maar zij zouden dit zo weer doen. De opa en oma vz geven aan dat [minderjarige] bij hen kan blijven zolang dat nodig is. De opa en oma vz vinden extra toezicht geen slecht idee. De opa en oma vz hopen nog altijd dat de moeder herstelt en dat [minderjarige] dan terug kan naar de moeder. Dit zal alleen niet makkelijk zijn voor de moeder.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter overweegt het volgende. Uit het raadsonderzoek is gebleken dat de 6-jarige [minderjarige] langere tijd is opgegroeid in een onvoorspelbare opvoedsituatie als gevolg van de alcoholproblematiek van de moeder. Ook bestaat er nog steeds onzekerheid over het opvoedperspectief van [minderjarige]. De kinderrechter erkent deze zorgen. Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat de betrokkenen rondom [minderjarige] deze zorgen vanuit het vrijwillig kader al grotendeels zelf hebben weggenomen, waarbij de moeder destijds op eigen kracht de juiste stappen heeft gezet. [minderjarige] verblijft daarom nu bij opa en oma vz. Daar gaat het goed met hem. Ook is er hulpverlening ingezet vanuit het vrijwillig kader. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat alle betrokkenen zich blijven inzetten voor [minderjarige], de situatie in de gaten blijven houden en ook stappen zetten wanneer dit nodig blijkt te zijn. De kinderrechter ziet wel dat het goed zou zijn voor [minderjarige] om individuele hulpverlening te krijgen. Hier moeten de betrokkenen in de komende tijd stappen voor gaan zetten. De kinderrechter wil tot slot de opa en oma vz complimenteren. De kinderrechter vindt de wijze waarop zij klaarstaan voor [minderjarige] bewonderenswaardig. [minderjarige] heeft daardoor een prettige plek om te verblijven binnen zijn vertrouwde omgeving. Dit geeft de moeder de mogelijkheid om in alle rust aan zichzelf te werken.

5.2.

Dit betekent dat de verzoeken worden afgewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst de verzoeken af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier, en op schrift gesteld op 30 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.