Personen- en familierecht

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, gevolgd door een machtiging tot…

Rechtbank Rotterdam, 18 september 2026

Zaakgegevens

Op 18 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
18 september 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/725918 / JE RK 26-1757
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14281
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/725918 / JE RK 26-1757

Datum uitspraak: 18 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] .

De kinderrechter merkt als informanten aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .

[naam pleegmoeder] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende in [woonplaats 3] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 20 augustus 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 4 september 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de pleegmoeder.

De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen. De moeder heeft zich, ruim na afloop van de zitting, gemeld bij de rechtbank. Hoewel zij niet tijdens de zitting aanwezig was, heeft zij daarmee wel haar bereidheid getoond om aanwezig te zijn.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 januari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 7 januari 2027.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 juli 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verlengd tot 7 oktober 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Ter zitting wijzigt de GI het verzoek in die zin dat nu een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg wordt verzocht tot 1 november 2026, gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk, te weten bij de biologische vader, voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 7 januari 2027.

4 De standpunten

4.1.

De GI handhaaft het (gewijzigde) verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de moeder. [zorg instelling] is gestart met de inzet van Bemoeizorg, maar het lukt hen tot op heden niet om in contact te komen met de moeder. Acht maanden na de geboorte van [minderjarige] is via een DNA-test bekend geworden wie haar biologische vader is. Het is jammer dat de vader zolang heeft gewacht met het afnemen van een DNA-test. Desondanks is het voor [minderjarige] fijn dat haar biologische vader nu in beeld is. De vader heeft aangegeven de zorg voor [minderjarige] te willen dragen. Per 1 november 2026 zal [minderjarige] bij de vader gaan wonen. Hier is een opbouw van omgangs- en logeermomenten aan vooraf gegaan, zodat de overgang voor [minderjarige] geleidelijk verloopt. De vader heeft momenteel nog geen gezag. De advocaat van de vader heeft een verzoek voor een spoedzitting ingediend, om dit zo snel mogelijk te regelen. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de tante te verlengen tot 1 november 2026, gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing binnen het netwerk, te weten bij de biologische vader van [minderjarige] . De vader heeft de afgelopen tijd laten zien dat hij het goed doet en hij zet zich enorm in voor [minderjarige] . Daarnaast heeft de vader een betrokken netwerk om zich heen. De GI vindt het belangrijk dat de pleegmoeder en [minderjarige] contact blijven houden, ook wanneer [minderjarige] bij de vader woont. De GI zou dit het liefst regelen in de vorm van weekendpleegzorg. Helaas zijn de pleegouders nog niet positief gescreend vanwege juridische moeilijkheden. De GI zet daarom in op een weekendregeling tot het einde van de ondertoezichtstelling. De GI benadrukt dat het heel belangrijk is dat de vader hieraan meewerkt. De GI uit ter zitting haar complimenten richting de pleegmoeder. Het is knap dat zij zo in het belang van [minderjarige] kan denken.

5. De informatie

5.1.

Door en namens de pleegmoeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De pleegmoeder is teleurgesteld in de gang van zaken. De pleegmoeder wil het beste voor [minderjarige] . De pleegmoeder heeft veel moeten omgooien om de zorg voor [minderjarige] op zich te kunnen nemen. De vader heeft het recht om [minderjarige] te verzorgen, maar de pleegmoeder heeft wel haar vraagtekens. [minderjarige] is een vrolijk kind. Wanneer [minderjarige] bij de vader is geweest, is er een verandering in haar gedrag en is ze stiller. [minderjarige] ziet de vader nu één of twee keer per week en blijft daar ook slapen. Het contact tussen de vader en de pleegmoeder verloopt goed. Desondanks vindt de pleegmoeder het belangrijk dat de omgang tussen haar en [minderjarige] wordt voortgezet en daartoe vastgelegd.

6 De beoordeling

6.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.

6.2.

[minderjarige] verblijft sinds haar geboorte bij de pleegmoeder omdat de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek niet in staat was en is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. [minderjarige] ontwikkelt zich zeer positief bij de pleegmoeder. De situatie van de moeder is tot op heden helaas niet of nauwelijks verbeterd ten opzichte van de vorige zitting. Inmiddels is wel gebleken dat de biologische vader van [minderjarige] betrokken is geraakt en dat hij graag de zorg voor en opvoeding van [minderjarige] op zich wil nemen. De afgelopen periode is er in het kader van de ondertoezichtstelling ingezet op begeleiding en hulpverlening bij de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] . Volgens de GI verlopen deze contactmomenten positief. De vader doet het goed, is betrokken en zet zich in voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft het, aldus de GI, goed bij de vader. Het is de bedoeling dat zij vanaf 1 november 2026 bij de vader zal gaan wonen. Op dit moment is er daarom sprake van een overgangsfase.

De ontwikkelingen van de afgelopen periode zijn nog pril en de pleegmoeder heeft ter zitting haar onzekerheid geuit over de situatie van [minderjarige] , die immers vanaf haar geboorte gewend is aan pleegmoeder en haar eigen positie. De pleegmoeder wil graag het contact met [minderjarige] blijven onderhouden. Dit is uiteraard van belang voor [minderjarige] en vraagt om inzet, begeleiding en regie vanuit de GI.

De kinderrechter acht het van groot belang dat de pleegmoeder en [minderjarige] contact blijven onderhouden, ook wanneer [minderjarige] bij de vader woont. Het is belangrijk dat de vader hier ook aan mee werkt. Het is positief dat de pleegmoeder aangeeft te begrijpen dat [minderjarige] bij de vader gaat wonen. De kinderrechter merkt op dat zij hiermee het belang van [minderjarige] boven haar eigen belang plaatst en dat verdient een groot compliment. Voor de komende periode is het belangrijk dat de mogelijkheid van een (logeer) weekendregeling bij de pleegouders nader wordt onderzocht en vastgelegd, zodat daar duidelijkheid over bestaat. Hierbij staat het belang van [minderjarige] , vanzelfsprekend en zoals vastgelegd in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, voorop.

6.3.

Gelet op het voorgaande is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder tot 1 november 2026 noodzakelijk.

Vanaf 1 november zal deze machtiging overgaan in een netwerkplaatsing bij de biologische vader van [minderjarige] . De kinderrechter gunt het [minderjarige] om bij de vader te gaan wonen en daarbij in goed contact te blijven met haar pleeggezin. De kinderrechter vertrouwt daartoe op de inzet van de GI om daar voortvarend mee aan de slag te (blijven) gaan.

6.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg -te weten bij pleegmoeder voormeld-, gevolgd door een plaatsing in het netwerk, -te weten de biologische vader-, tot 7 januari 2027;

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 28 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.