Personen- en familierecht
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek verlenging ondertoezichtstelling.
Rechtbank Rotterdam, 9 januari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:4016 · Rechtbank Rotterdam · 9 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbrot-2026-4016
Zaakgegevens
Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 9 januari 2026
- Datum publicatie
- 9 april 2026
- Zaaknummer
- C/10/701444 / JE RK 25-1227
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:4016
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek verlenging ondertoezichtstelling.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701444 / JE RK 25-1227
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen de moeder en de vader, tezamen de ouders, wonende in [woonplaats] , bijgestaan door advocaat mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 juni 2025;
- de briefrapportage van de GI van 25 november 2025, ontvangen op 26 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
de ouders met hun advocaat;
-
een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het gezag over [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 14 januari 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.
3 Het aangehouden verzoek van de GI
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het verzoek is ten aanzien van [minderjarige 2] reeds afgewezen en voor [voornaam minderjarige] toegewezen voor de duur van zes maanden en aangehouden voor het overig verzochte. Daarom moet nu nog worden beslist over de resterende verlenging van zes maanden van de ondertoezichtstelling voor [voornaam minderjarige] .
De GI handhaaft het resterende verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Na het vertrek van de vorige jeugdbeschermer is er een vervangende jeugdbeschermer aangesteld voor [voornaam minderjarige] . Pogingen tot hulpverlening, waaronder via Pameijer en Yulius, zijn echter niet succesvol gebleken. Een belangrijk knelpunt hierbij is dat de ouders voortdurend weerstand bieden tegen de ingezette hulp en de hulpverlening daardoor stagneert. Ze melden [voornaam minderjarige] af bij Pameijer, en er wordt regelmatig gedreigd met klachten over de zorgverlening. Dit maakt het voor de hulpverleners vrijwel onmogelijk om een stabiel traject voor [voornaam minderjarige] op te zetten en de nodige zorg te bieden. De GI heeft ernstige zorgen over het structurele schoolverzuim, de problematische thuissituatie en de psychische problematiek van [voornaam minderjarige] . Op 17 oktober 2025 is de situatie geëscaleerd, waarbij [voornaam minderjarige] bij Pameijer aangaf dat zij niet meer naar huis wilde. Zij deed hierbij uitspraken die als suïcidaal kunnen worden gezien. Ze heeft gezegd dat zij er beter niet meer zou kunnen zijn op deze wereld. Naar aanleiding hiervan zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder de inzet van hulpverlening door Yulius, waarbij er twee keer per week gesprekken zijn met [voornaam minderjarige] . Yulius heeft inmiddels echter laten weten dat de huidige inzet van de hulpverlening onvoldoende is. De gesprekken van Yulius met [voornaam minderjarige] zijn volgens Yulius te laagdrempelig, waardoor de onderliggende problematiek niet behandeld kan worden. Zij adviseren een opname voor [voornaam minderjarige] . Tot op heden hebben de ouders hier geen akkoord op gegeven, wat past in het terugkerende gedragspatroon van vertragen en tegenwerken van de hulpverlening. De ouders richten zich teveel op de schoolgang en vinden dat dat eerst moet gebeuren, terwijl de GI vindt dat [voornaam minderjarige] eerst behandeling nodig heeft. Verder vindt de GI het zorgelijk dat er geen zicht is op de thuissituatie en gezinsdynamiek.
4 Het standpunt van de ouders
Door en namens de ouders is ter zitting als volgt verweer gevoerd. [voornaam minderjarige] heeft zelf een duidelijks wens over de hulpverlening. [voornaam minderjarige] geeft herhaaldelijk aan dat zij niet meer naar Pameijer wil en – net zoals haar broer en zus – naar een normale school wil gaan, omdat het huidige onderwijsaanbod onvoldoende uitdaging biedt. De ouders wijzen erop dat [voornaam minderjarige] in een tweesporenbeleid geholpen moet worden: eerst moet de focus liggen op het herstellen van haar schoolritme en daarna kan behandeling worden ingezet. Dat is ook wat [voornaam minderjarige] zelf wil. Zij wil geen opname bij Yulius en wil niet over haar verleden praten. Ze wil zich richten op de toekomst en als een normale vijftienjarige naar school en vrienden maken. De inzet van hulpverlening binnen het dwangkader werkt averechts voor [voornaam minderjarige] . De ouders zien ook bijvoorbeeld bij hun andere dochter, [minderjarige 2] , dat de afronding van de ondertoezichtstelling een positief effect heeft. De overgang naar vrijwillige hulpverlening vanuit het wijkteam is ook de juiste aanpak voor [voornaam minderjarige] . De ouders hebben inmiddels op eigen initiatief een niveaubepaling laten afnemen voor [voornaam minderjarige] , zodat zij haar nu kunnen aanmelden bij een school die bij haar behoeften en niveau beter aansluit. De ouders klagen over een gebrek aan transparantie vanuit de GI en ondermijning van hun gezag. Zij hebben nooit duidelijke informatie ontvangen over het incident van 17 oktober 2025, waarbij [voornaam minderjarige] volgens de GI suïcidale uitspraken zou hebben gedaan. [voornaam minderjarige] ontkent dat dit heeft plaatsgevonden. De ouders ervaren dat de GI en Pameijer elkaar de verantwoordelijkheid toeschuiven, zonder dat zij als ouders goed geïnformeerd worden. Daarnaast hebben de ouders in het afgelopen jaar te maken gehad met veel wisselende jeugdbeschermers, waardoor zij geen vast aanspreekpunt hadden en het vertrouwen in de GI verder is afgenomen. De vervangende jeugdbeschermer is weinig betrokken. Pameijer is door de ouders zelf geregeld. Bij de klachtprocedures die de ouders gestart zijn, zijn zij bovendien in hun gelijk gesteld. Gelet op deze omstandigheden wordt namens de ouders verzocht het verzoek van de GI af te wijzen. Het huidige dwangkader dat al sinds 2023 loopt, werkt alleen maar averechts en belemmert verdere vooruitgang voor [voornaam minderjarige] . Ouders willen met hulpverlening in het vrijwillig kader inzetten wat er nodig is voor [voornaam minderjarige] .
5 De beoordeling
De kinderrechter overweegt allereerst dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [voornaam minderjarige] . Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over de gestagneerde schoolgang van [voornaam minderjarige] , haar belaste verleden, psychische problematiek en de gestagneerde hulpverlening. Hiervoor moet hulp worden ingezet.
De kinderrechter ziet liefdevolle en betrokken ouders. Zij hebben bewezen in het belang van [voornaam minderjarige] op eigen initiatief hulpverlening in te zetten, waaronder de aanmelding bij Pameijer vorig jaar en het laten afnemen van een niveaubepaling zodat er nu een aanmelding kan worden gedaan bij een nieuwe school. De ouders waren het eerder eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling, maar door opnieuw een wisseling van jeugdbeschermer, gebreken in de communicatie en een verschil in visie over wat nodig is voor [voornaam minderjarige] , staan zij hier niet meer achter.
Ten aanzien van de inzet van de hulpverlening verschillen de visies van de GI en de ouders. De ouders geven aan dat zij, in tegenstelling tot de GI, van mening zijn dat de focus eerst moet liggen op het herstellen van de schoolgang van [voornaam minderjarige] , en pas daarna behandeling kan worden ingezet. Dit is volgens de ouders ook de wens van [voornaam minderjarige] . De GI wil echter een opname van [voornaam minderjarige] bij Youz. Een opname bij Yulius binnen het gedwongen kader zou volgens ouders averechts werken en zij willen daarmee niet akkoord gaan, mede omdat [voornaam minderjarige] hier zelf niet achter staat.
De kinderrechter constateert verder dat er ook eerder al sprake is geweest van weerstand van de ouders tegen de ingezette hulpverlening, zoals blijkt uit het afmelden van [voornaam minderjarige] bij Pameijer en klachtprocedures. Dit heeft geleid tot vertraging en heeft de effectiviteit van de ingezette hulp belemmerd. De ouders hebben herhaaldelijk hun zorgen geuit over het gebrek aan transparantie van de GI en Pameijer, met name rondom het incident van 17 oktober 2025. Ook in de procedure heeft de GI weinig informatie gegeven over het incident op 17 oktober 2025.
De ouders willen in het vrijwillig kader verder, waarbij de focus ligt op het herstel van de schoolgang en het werken aan de zelfstandigheid van [voornaam minderjarige] .
Hoewel de kinderrechter concludeert dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] , en dat ouders niet altijd goed meewerken met de GI, is de kinderrechter ook van oordeel dat de GI onvoldoende met de ouders heeft gecommuniceerd en dat er onvoldoende alternatieven gepresenteerd worden nu de ouders niet akkoord gaan met de voorgestelde opname bij Yulius. De kinderrechter merkt op dat een goede communicatie met de ouders cruciaal is voor een succesvolle uitvoering van de ondertoezichtstelling, en dat de situatie zoals deze nu is, het moeilijk maakt om tot een vruchtbare samenwerking te komen. Nu de ouders wel initiatief nemen om de hulp in te zetten die zij nodig vinden, is de kinderrechter van oordeel dat de ouders de kans geboden moeten krijgen om in vrijwillig kader, onder begeleiding van het wijkteam, zelf de nodige hulpverlening in te schakelen. De hulpverlening binnen het dwangkader is niet voldoende effectief gebleken en een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling zal naar het oordeel van de kinderrechter niet in het belang van [voornaam minderjarige] zijn, en mogelijk zelfs averechts werken. De kinderrechter wil ook voorkomen van [voornaam minderjarige] de dupe wordt van spanningen en conflicten tussen de ouders en de GI. De kinderrechter neemt in aanmerking dat bij de andere dochter van de ouders, [minderjarige 2] , de ondertoezichtstelling per 14 juli 2025 is beëindigd en dat niet weersproken is dat de beëindigen van de ondertoezichtstelling heeft geleid tot verbetering van haar situatie.
Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
|
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 19 januari 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.