Personen- en familierecht

Jeugdige is door twee jeugdzorgplus-instellingen afgewezen. Hij is zelf ook niet gemotiveerd om daar te…

Rechtbank Rotterdam, 6 januari 2026

Zaakgegevens

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 januari 2026
Datum publicatie
22 januari 2026
Zaaknummer
C/10/709976 / JE RK 25-2324 en C/10/712713 / JE RK
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:535
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdige is door twee jeugdzorgplus-instellingen afgewezen. Hij is zelf ook niet gemotiveerd om daar te verblijven. Om die redenen – en niet omdat de zorgen zijn afgenomen – heeft de Gecertificeerde Instelling (GI) geen gebruik gemaakt van de machtiging gesloten jeugdhulp (GJH). GI heeft het resterende deel van het verzoek GJH ingetrokken. Verzoek om machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/709976 / JE RK 25-2324 en C/10/712713 / JE RK 26-4

Datum uitspraak: 6 januari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaken van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboortedatum] ( [geboorteland] ),

hierna te noemen: [voornaam minderjarige] ,

advocaat mr. S. Epema, kantoorhoudende in Capelle aan den IJssel.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] en [naam vader],

hierna te noemen: de moeder en de vader, en tezamen: de ouders,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. E.J.M. Daalhuizen, kantoorhoudende in Rotterdam.

1 Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 27 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken (C/10/709976);

- het verzoekschrift met bijlagen van 2 januari 2026, ontvangen op diezelfde datum (C/10/712713).

1.2.

Op 6 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • [voornaam minderjarige] met zijn advocaat;

  • de vader en zijn advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .

1.3.

De moeder is niet ter zitting verschenen, omdat zij vanwege haar werk is verhinderd. De kinderrechter stelt vast dat de moeder juist is opgeroepen.

1.4.

Aan de vriendin van [voornaam minderjarige] is bijzondere toegang tot de zitting verleend.

1.5.

De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting in het bijzijn van zijn advocaat een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .

2.2.

[voornaam minderjarige] verblijft in de regio Den Haag; waar precies is niet bekend.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 november 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 11 december 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend tot 8 januari 2026.

3 De (aangehouden) verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/709976

3.1.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 8 januari 2026 is al beslist. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 11 december 2026.

3.2.

Bij briefrapportage van 2 januari 2026 heeft de GI dit verzoek ingetrokken.

Het verzoek met zaaknummer C/10/712713

3.3.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.4.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] wil zelf absoluut niet in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verblijven. De GI hoopt dat [voornaam minderjarige] langskomt op hun kantoor zodat hij het zorgformulier kan ondertekenen en zijn casus ingebracht kan worden bij de zorgbemiddelingstafel. De GI wil meebewegen met [voornaam minderjarige] om te zorgen dat hij bij hen langskomt, maar [voornaam minderjarige] moet zelf ook verantwoordelijkheid nemen. De komende periode moet onderzocht worden welke zorgaanbieder kan aansluiten bij wat [voornaam minderjarige] nodig heeft. Er moet een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor [voornaam minderjarige] worden gevonden waar hij stabiliteit krijgt en waar hij zich op zijn plek voelt.

4 De standpunten

4.1.

Door en namens de ouders wordt ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. De ouders zijn bereid om alle medewerking te verlenen die nodig is om hulpverlening voor [voornaam minderjarige] in te zetten. De ouders vinden het belangrijk dat er op korte termijn een stabiele plek voor [voornaam minderjarige] wordt gevonden. De vader brengt ter zitting naar voren dat de ouders veel van [voornaam minderjarige] houden en hem nooit zullen loslaten. Desondanks maken de ouders zich ook veel zorgen over hem. Het lijkt de afgelopen jaren alsof [voornaam minderjarige] meer op afstand komt te staan van de ouders. Positief is dat de ouders nog wel contact hebben met [voornaam minderjarige] .

4.2.

Door en namens [voornaam minderjarige] wordt ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. [voornaam minderjarige] heeft geen bezwaar tegen het verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder binnen een open setting. [voornaam minderjarige] heeft wel bezwaar tegen een gesloten setting. De afgelopen maanden heeft [voornaam minderjarige] veel moeite gehad met het aanbrengen van structuur in zijn leven. Het nakomen van afspraken is moeilijk wanneer je geen dak boven je hoofd hebt. [voornaam minderjarige] is nog een kind en het is daarom belangrijk dat de verantwoordelijkheid niet te veel bij hem wordt neergelegd.

5 De beoordeling

5.1.

Op de dag van de eerdere zitting, 27 november 2025, nam de politie contact op met de GI met de mededeling dat [voornaam minderjarige] was aangetroffen bij zijn vriendin, waar hij volgens de regels niet mocht verblijven. Een crisisplek was, aldus de GI, niet te realiseren voor [voornaam minderjarige] waardoor hij is teruggegaan naar het netwerk waar hij verbleef.

5.2.

De GI heeft de aanvraag voor een gesloten plek opnieuw uitgezet. [voornaam minderjarige] was eerder al afgewezen door Schakenbosch. Op 4 december 2025 heeft ook Pluryn, Maarsbergen [voornaam minderjarige] afgewezen voor plaatsing aldaar met de volgende onderbouwing:

‘ [voornaam minderjarige] is twee keer eerder binnen Het Klaverhof geplaatst, waarin het niet mogelijk was om behandeling te starten en diagnostiek uit te voeren. Dit heeft te maken met het feit dat [voornaam minderjarige] zich continu onttrekt en voor een langere periode wegblijft. Bij een nieuwe opname op Het Klaverhof wordt het weglooprisico opnieuw hoog ingeschat, wat maakt dat [voornaam minderjarige] niet tot ontwikkeling en behandeling zal komen. Het doel van de JZ+ plaatsing is behandelen. De verwachting is dat [voornaam minderjarige] weerstand laat zien voor zijn verblijf binnen de JZ+ en gezag vermijdend is in combinatie met het zeer hoog risico op onttrekking, waardoor het doel van JZ+ niet kan worden bereikt. Hierdoor is Het Klaverhof tot de conclusie gekomen om hem niet opnieuw op de wachtlijst te plaatsen.’

5.3.

Op basis van de afwijzing van [voornaam minderjarige] door twee jeugdzorgplus-instellingen en het ontbreken van motivatie bij hem voor behandeling en het ontbreken van zijn inzet voor verbetering, heeft de GI besloten geen gebruik te maken van de lopende gesloten machtiging. Niet omdat de zorgen zijn afgenomen - aldus de GI -, maar omdat de plaatsende instanties er geen heil in zien en [voornaam minderjarige] het onmogelijk maakt om de zorgen weg te nemen.

Ten aanzien van C/10/709976

5.4.

De kinderrechter stelt op grond van vorenstaande vast dat de GI het resterende deel van het verzoek betreffende de gesloten plaatsing van [voornaam minderjarige] heeft ingetrokken. Als gevolg hiervan kunnen de gronden van het verzoek niet meer worden onderzocht. Om die reden wijst de kinderrechter het resterende deel van dit verzoek af.

Ten aanzien van C/10/712713

5.5.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.

5.6.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] al langere tijd niet meer bij de ouders woont. De afgelopen periode heeft [voornaam minderjarige] op verschillende plekken binnen zijn netwerk verbleven. Het lukt de GI en overige hulpverlenende instanties niet om een passende plaatsing voor hem te vinden. [voornaam minderjarige] heeft een zeer belaste jeugd wat heeft geleid tot onder meer hechtingsproblematiek. Het is voor de komende periode belangrijk dat er een rustige en stabiele plek in de regio van Rotterdam wordt gevonden voor [voornaam minderjarige] waar hij langdurig kan verblijven. Het is, aldus de GI, daarvoor noodzakelijk dat [voornaam minderjarige] langs gaat op het kantoor van de GI om de nodige formulieren te ondertekenen. Daarmee kan [voornaam minderjarige] worden ingebracht bij de zorgbemiddelingstafel zodat er zo snel mogelijk een passende plek voor hem wordt gevonden. Ter zitting heeft [voornaam minderjarige] toegezegd dat hij dinsdag 13 januari 2025 om 12:00 uur bij de GI zal langs gaan. Ter zitting heeft zijn vader hem hiertoe een OV-kaart met voldoende saldo gegeven. De kinderrechter gaat ervan uit dat [voornaam minderjarige] zich strikt aan deze afspraak zal houden en zal meewerken aan een plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. [voornaam minderjarige] moet zelf ook gaan inzien dat hij stabiliteit en structuur in zijn leven nodig heeft.

5.7.

Qua behandeling moet er de komende periode – in ieder geval – ingezet worden op het vergroten van de vaardigheden van [voornaam minderjarige] op het gebied van emotieregulatie. Daarnaast moet [voornaam minderjarige] leren verantwoordelijkheid te nemen en afspraken na te komen.

5.8.

Omdat alle betrokkenen instemmen met de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aan de vereisten daarvoor wordt voldaan, zal de kinderrechter de verzochte machtiging verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

5.9.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek met zaaknummer C/10/709976 af, voor zover daarop niet eerder is beslist;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 januari 2026 tot 11 december 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026 door

mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 21 januari 2026.


Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.