Personen- en familierecht

Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling

Rechtbank Rotterdam, 9 juni 2026

Zaakgegevens

Op 9 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
9 juni 2026
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718650 / JE RK 26-773
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7291
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/718650 / JE RK 26-773

Datum uitspraak: 9 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,

[naam vader] ,

de stiefvader, hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,

[naam opa] en [naam oma],

hierna te noemen: de opa en oma, wonende in [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 22 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;

  • de brieven van de moeder van 9 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de opa en oma;

  • een drietal vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

1.3.

De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak en zij heeft deze dus zelf van de kinderrechter gehoord.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

[minderjarige] verblijft bij de opa en oma.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 5 december 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk, te weten bij de opa en oma, verleend tot 5 september 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Een ondertoezichtstelling wordt niet meer nodig geacht, omdat er geen zorgen meer zijn. De GI heeft een verzoek tot onderzoek aangaande de beëindiging van het ouderlijk gezag ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming. Ook hebben zij daarbij verzocht de opa en oma te belasten met de voogdij. Het wijkteam is betrokken en de financiering voor Enver is geregeld. De hulpverlening heeft geen actieve rol, maar zij kunnen ondersteuning bieden als er dingen nodig zijn.

4 De standpunten

4.1.

De opa en oma stemmen tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de GI. Het gaat goed met [minderjarige] bij de opa en oma.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de gronden daarvoor niet langer aanwezig zijn. Ter zitting is gebleken dat het goed gaat met [minderjarige] en dat er geen ernstige zorgen bestaan om de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft zich de afgelopen periode goed ontwikkeld en de betrokkenheid van de GI is niet langer noodzakelijk. De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn. [minderjarige] verdient een groot compliment voor haar doorzettingsvermogen, de kinderrechter hoopt dat het haar goed zal gaan. Ook de inzet van opa en oma verdient een compliment, zij hebben [minderjarige] een thuis gegeven toen zij dat nodig had.

5.2.

De kinderrechter heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] daarom op met ingang van 9 juni 2026. Nu de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal wordt beëindigd, zal de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk, te weten bij de opa en oma, ook zijn kracht verliezen. De machtiging tot uithuisplaatsing kan immers niet zonder een ondertoezichtstelling bestaan.

5.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 9 juni 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:261 en 1:255 van het Burgerlijk Wetboek.