Personen- en familierecht

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

Rechtbank Rotterdam, 15 april 2026

Zaakgegevens

Op 15 april 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
15 april 2026
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
C/10/716126 / JE RK 26-460
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:7513
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/716126 / JE RK 26-460

Datum uitspraak: 15 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1], hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2], hierna te noemen [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1],

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2],

bijgestaan door advocaat mr. E.J. Coxon, kantoorhoudende in Utrecht.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 2 maart 2026, ontvangen op 9 maart 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder;

  • de vader met zijn advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgenodigd voor een gesprek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben weer van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 28 april 2026.

3 Het verzoek van de GI

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het verzoekschrift is opgesteld in een periode dat er sprake was van veel onrust tussen de ouders. Inmiddels is er meer stabiliteit. De kinderen ontwikkelen zich positief en het gaat goed met hen op school en in de thuissituatie. De GI heeft echter nog zorgen over de onderlinge communicatie tussen de ouders. De ouders zijn beperkt bereikbaar voor elkaar doordat zij elkaar blokkeren. In geval van spoed kunnen zij elkaar dus niet direct telefonisch bereiken. Daarnaast is sprake van oud zeer en onverwerkt verdriet tussen de ouders, wat invloed heeft op hun onderlinge verstandhouding en ook op de kinderen. Er is recent een Ouderschap na Scheiding-traject via Enver gestart, gericht op het verbeteren van de communicatie en het verwerken van het verleden. Desgevraagd geeft de GI aan dat de ouders dit ook in vrijwillig kader of eventueel – zoals door de advocaat van de vader aangegeven – door middel van relatietherapie zelf kunnen oppakken, mits zij gemotiveerd zijn.

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het beter gaat in de thuissituatie en in de onderlinge verhouding met de vader. Zij geeft aan dat er nog wel sprake is van meningsverschillen, maar dat deze minder heftig zijn dan voorheen en dat het contact tussen de ouders in het algemeen rustiger verloopt. De moeder heeft verder naar voren gebracht dat zij tevreden is over de betrokkenheid van de jeugdbeschermer, maar dat een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar niet noodzakelijk is. Volgens de moeder zou een kortere verlenging, bijvoorbeeld voor zes maanden, volstaan. Ten aanzien van de hulpverlening heeft de moeder verklaard dat zij bereid is mee te werken aan het traject van Enver, mits de vader ook deelneemt. De moeder heeft tot slot aangegeven geen hulpverlening vanuit het wijkteam te willen, vanwege eerdere negatieve ervaringen.

4.2.

De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Hij ervaart de huidige situatie als acceptabel. Wel heeft de vader toegelicht dat de communicatie met de moeder wisselend verloopt en dat er nog sprake is van spanningen tussen de ouders, mede als gevolg van gebeurtenissen in het verleden. Hij heeft daarom enige afstand heeft genomen van de moeder door haar te blokkeren, om verdere onrust te voorkomen. Hij zou het liever nog beter zien tussen hen en hij denkt dat dat zou moeten kunnen. De vader begrijpt het verzoek van de GI deels, maar een verlenging van de ondertoezichtstelling is eigenlijk niet noodzakelijk, omdat het met de kinderen goed gaat. Tegelijkertijd ziet hij wel enige meerwaarde in begeleiding als stok achter de deur, met name waar het gaat om het contact tussen de ouders.

De advocaat van de vader heeft ter zitting aangevoerd dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Volgens hem is onvoldoende gebleken van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De kinderen ontwikkelen zich goed en ook vanuit school zijn geen zorgen naar voren gekomen. Sterker nog, de kinderen doen het juist heel erg goed. Dat de ouders in hun onderlinge communicatie moeilijkheden ervaren, maakt nog niet dat sprake is van een situatie die een voortzetting van het gedwongen kader rechtvaardigt. Namens de vader wordt primair verzocht het verzoek af te wijzen. Subsidiair vindt de advocaat, indien de kinderrechter toch tot verlenging van de ondertoezichtstelling overgaat, dat dat dan toch maar voor een jaar moet gebeuren. Het traject van Enver zal langere tijd duren, waardoor een kortere verlenging niet zinvol is.

5 De beoordeling

5.1.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat het op dit moment goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij ontwikkelen zich goed. Op school doen ze het allebei bovengemiddeld goed. De kinderrechter heeft hen voorafgaand aan deze zitting voor de derde keer gesproken. Het was voor de derde keer een gesprek op niveau: [minderjarige 1] en met name [minderjarige 2] weten hun zegje te doen en geven daarbij aan dat school voor hen heel belangrijk is. Ze doen het mede daarom én dankzij hun intelligentie ook heel goed. Ze zijn verzorgd, evenwichtig, hebben humor en dromen voor de toekomst. Zij zien hun ouders als mensen die enorm hun best doen, en niet perfect zijn maar dat natuurlijk ook niet hoeven te zijn. Het is soms lastig, maar daar leren [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf ook van. Kort samengevat gaat het hier om twee ongelofelijk leuke, slimme en open kinderen, die goed kunnen verwoorden hoe zij de situatie ervaren.

5.2.

De kinderrechter ziet dat de ouders in de afgelopen periode stappen hebben gezet en de worsteling met zichzelf en elkaar onder ogen kunnen zien. Toen de ouders nog bij elkaar waren, konden ze niet met en niet zonder elkaar. In feite is dat nu, nu ze uit elkaar zijn, nog steeds het geval. Tussen de ouders vinden inmiddels minder conflicten plaats. Waar de jeugdbeschermer voorheen vaak ingezet werd om tussen de ouders te schakelen, is dit de afgelopen periode niet meer nodig geweest. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat de communicatie tussen de ouders nog moeizaam verloopt en dat er sprake is van spanningen en onverwerkt verdriet. De ouders hebben elkaar geblokkeerd en zijn hierdoor niet altijd goed bereikbaar voor elkaar. In feite is dit een uitingsvorm van ongemak en de situatie nog niet goed kunnen beheersen. Dat heeft alles te maken met het feit dat de ouders er nog niet uit lijken te zijn hoe ze verder willen met elkaar. De kinderrechter sluit zich volledig aan bij de woorden van de advocaat van de vader: ouders hebben niet geleerd hoe zij met deze situatie – inclusief conflict – moeten omgaan. Het is dus zaak dat zij zichzelf dit nu, in het belang van hun kinderen, gaan leren en daarbij compassie opbrengen voor elkaar en het wederzijds onvermogen waar zij tegenaan lopen. De suggestie van de advocaat van de vader dat ouders hier hulp bij kunnen gebruiken in de vorm van bijvoorbeeld relatietherapie, zou wel eens de juiste kunnen zijn. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de zitting de ouders bijblijft en dat zij hulp inschakelen om tot een gezamenlijk verhaal te komen waarmee zij dit leven als ouders samen kunnen dragen. Dat zou een heel groot cadeau voor hun kinderen zijn.

5.3.

Het bijzondere verhaal van de ouders en hun geschiedenis geeft echter nog geen antwoord op de vraag of nog steeds sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. In het kader van de ondertoezichtstelling hebben de ouders een jeugdbeschermer getroffen die hen uitstekend aanvoelt. Die inzet heeft ook het één en ander opgeleverd. Dat is merkbaar, want het gaat heel veel beter. Tegelijkertijd is er ook nog veel ruimte voor verbetering. Zoals besproken op de zitting wordt het wel tijd dat de ouders elkaar deblokkeren en gaan handelen vanuit vertrouwen. Als er iets met de kinderen is, móeten zij elkaar kunnen bereiken. Wat hier ook van zij, de situatie van de kinderen geeft geen aanleiding meer voor de conclusie dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Deze kinderen staan stevig in hun schoenen en gaan er wel komen. De vraag is: gaan zij dat doen ondanks het gedoe tussen hun ouders, of gaan ze dat doen dankzij de lessen van hun ouders? De kinderrechter hoopt dat de ouders hieraan blijven denken en zich op een compassievolle manier tot elkaar gaan verhouden. Op de zitting was zonder meer merkbaar dat dat mogelijk is.

5.4.

Ter zitting is ook gebleken dat de ouders niet alleen openstaan voor hulpverlening gericht op hun onderlinge communicatie, zoals het traject van Enver, maar dat deze hulpverlening ook in een vrijwillig kader kan worden voortgezet. De kinderrechter vertrouwt erop dat het terugleggen van de verantwoordelijkheid bij ouders hen bewust zal maken van wat zij zelf kunnen doen.

5.5.

De kinderrechter begrijpt dat de ouders de betrokkenheid van de jeugdbeschermer als prettig en ondersteunend ervaren en dat zij haar zullen gaan missen. De ondertoezichtstelling vinden ze eigenlijk niet meer nodig, maar dat dat ook afwezigheid van de jeugdbeschermer betekent, is toch wel heel jammer, aldus de ouders. Dit is een heel groot compliment van de ouders voor de jeugdbeschermer. Ook deze omstandigheid is echter geen grond voor voortzetting van de ondertoezichtstelling. Het gedwongen kader kan alleen worden ingezet als dat noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de kinderen.

5.6.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens de uitspraak binnen geroepen en hen de beslissing uitgelegd in begrijpelijke woorden. De kinderen hebben de kinderrechter in het gesprek voorafgaand aan de zitting gevraagd hun namen te onthouden voor later, ook als ze misschien niet meer naar de rechtbank komen. De kinderrechter heeft hen dat beloofd en legt dat ook vast in deze beschikking: de namen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal zij – uiteraard – niet vergeten.

5.7.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat niet langer wordt voldaan aan de wettelijke gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 door mr. S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.