Personen- en familierecht
Afwijzen verzoek voorlopige partneralimentatie (verdiencapaciteit vrouw).
Rechtbank Rotterdam, 7 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8572 · Rechtbank Rotterdam · 7 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/beschikking/ecli-nl-rbrot-2026-8572
Zaakgegevens
Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 7 juli 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- C/10/714635 / FA RK 26-1062
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- BeschikkingBeschikkingEen beslissing van de rechter in een zaak die met een verzoekschrift is begonnen, zoals een echtscheiding of faillissement.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:8572
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Afwijzen verzoek voorlopige partneralimentatie (verdiencapaciteit vrouw).
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/714635 / FA RK 26-1062
Beschikking van 7 juli 2026 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R.F.H. Weisz-Hertsworm te Rotterdam,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. H.E.M.J. van Poppel te Rotterdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 9 februari 2026;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 22 juni 2026;
-
de berichten van de vrouw met bijlagen van 18 maart 2026 en 22 juni 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2 De vaststaande feiten
Partijen zijn op [huwelijksdatum] te Rotterdam met elkaar gehuwd.
Uit de relatie van partijen zijn geen kinderen geboren.
De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze procedure is bekend bij de rechtbank onder zaaknummer: C/10/710614 / FA RK 25-8962.
3 De beoordeling
Partneralimentatie
De vrouw verzoekt primair te bepalen de man met ingang van 24 november 2025
€ 1.580,- bruto per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, aan de vrouw zal voldoen als voorlopige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, welk bedrag de man maandelijks bij vooruitbetaling moet voldoen, althans (subsidiair) te bepalen dat de man met ingang van een nader door de rechtbank vast te stellen moment zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw.
De man voert gemotiveerd verweer. De man legt aan zijn verweer ten grondslag dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft waarmee zij in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. Hij stelt dat de vrouw universitair is geschoold en dat zij een internationale carrière heeft opgebouwd in de televisie- en filmindustrie. Daarnaast werkt de vrouw volgens de man als kunstenaar en heeft zij dit jaar deelgenomen aan een kunstenaarsresidentieprogramma in Istanbul, waardoor zij (onder meer) nieuwe kunst heeft kunnen creëren. Gelet op het voorgaande concludeert de man dat de vrouw veel werkervaring heeft opgedaan en daarom in staat moet worden geacht ten minste een modaal inkomen te verdienen. Hij gaat daarbij uit van het modaal inkomen voor 2026 van
€ 48.000,- bruto per jaar, zoals vastgesteld door het Centraal Planbureau. Hij stelt dat de vrouw, uitgaande van dit bedrag, in haar eigen behoefte kan voorzien, zodat er geen aanvullende behoefte resteert.
In aanvulling op zijn verweer heeft de man tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij tot op heden maandelijks € 400,- betaalt voor de vaste lasten van de vrouw, waaronder haar zorgverzekering en creditcardrekening. Dit is door de vrouw niet betwist. De man stelt dat hij daarmee reeds voldoet aan haar verzoek om financiële ondersteuning.
De vrouw stelt daarentegen dat uit haar werkzaamheden in de kunst- en cultuurbranche niet zonder meer een verdiencapaciteit kan worden afgeleid. Bovendien waren de inkomsten uit het kunstenaarsresidentprogramma volgens de vrouw minimaal en moest zij een groot gedeelte daarvan opnieuw investeren in het maken van kunst. De vrouw stelt dat de door de man gestelde verdiencapaciteit niet aansluit bij haar daadwerkelijke inkomsten. Daarbij geldt dat, ook al zou er in theorie een verdiencapaciteit kunnen zijn, haar inkomen feitelijk zeer laag is en zij daarmee niet in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. Partneralimentatie is daarom noodzakelijk, aldus de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling meermaals naar voren gebracht dat zij zich onder psychische en emotionele druk voelt staan, aangezien zij op dit moment geen woning heeft en niet zelf in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank acht de spanning van de vrouw invoelbaar, maar dit doet niet af aan het feit dat de vrouw wel een verdiencapaciteit heeft. De rechtbank leidt dit af uit haar opleidingsniveau en haar werkzaamheden als kunstenaar en in de televisie- en filmindustrie. Met andere woorden: de vrouw heeft het vermogen om inkomen te verwerven. Hierdoor is de redenering van de man, dat voor wat betreft de verdiencapaciteit van de vrouw kan worden aangesloten bij het modaal inkomen voor 2026 van € 48.000,- bruto per jaar, navolgbaar. Bovendien heeft de man tijdens de mondelinge behandeling onweergesproken gesteld dat hij maandelijks € 400,- betaalt voor de vaste lasten van de vrouw. Hij heeft toegezegd dat hij dit bedrag zal blijven voldoen tot aan de afwikkeling van de echtscheidingsprocedure, tenzij in deze procedure wordt beslist dat de man (voorlopige) partneralimentatie aan de vrouw moet gaan betalen. Daarnaast geldt dat de vrouw ook geen extra kosten hoeft te maken voor de woonlasten, gelet op wat de rechtbank hierna zal beslissen over het gebruik van de echtelijke woning. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om partneralimentatie aan de vrouw toe te kennen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw met betrekking tot de voorlopige partneralimentatie afwijzen.
Het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met ingang van 20 juni 2026, althans zo spoedig mogelijk nadien, met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het genot en gebruik van de echtelijke woning aan de [straatnaam] te [locatie] en de zich daarin bevindende inboedel.
De man verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat hij met ingang van heden voorlopig bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke huurwoning (de rechtbank begrijpt: woning) aan de [straatnaam] , [postcode] te [locatie] , voor zover nodig met het bevel dat de vrouw deze woning dient te verlaten en niet verder mag betreden.
Beide partijen verzoeken om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De rechtbank begrijpt dat de relatie tussen partijen tijdens het huwelijk altijd goed is geweest tot het moment dat de man opbiechtte dat hij gevoelens had voor iemand anders. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij dit opbiechtte, omdat hij de relatie met de vrouw wilde redden en om die reden in openheid met haar wilde bespreken wat er door hem heenging. De vrouw is hierdoor totaal overrompeld geweest en heeft zich daarna teruggetrokken. Zij is naar haar zus in Istanbul vertrokken en heeft een advocaat in de arm genomen, omdat zij besloten had te willen scheiden. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij de situatie liever anders had gezien en niet voornemens was om van de vrouw te scheiden.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de situatie tussen partijen zo nijpend is dat één van hen de woning moet gaan verlaten. Die beslissing zou voor de vrouw kunnen betekenen dat zij dakloos raakt en voor de man zou dit zijn leven eveneens in grote mate kunnen bemoeilijken. De man zou in dat geval immers nog steeds de volledige woonlasten moeten dragen, aangezien de vrouw deze niet kan betalen. Dit brengt mogelijk met zich dat de man dan dubbele woonlasten krijgt, omdat hij (tijdelijk) elders woonruimte moet zoeken. De beslissing dat één van beide partijen de woning zou moeten verlaten, zou dus hoe dan ook voor minstens één van beiden grote financiële problemen opleveren. Daar komt nog bij dat de vrouw gezien haar financiële situatie niet in staat is om de woning uiteindelijk over te nemen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dat beide partijen grote belangen hebben bij het gebruik van de woning.
De rechtbank heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling met partijen gesproken over hun onderlinge verstandhouding. De rechtbank constateert dat tussen partijen veel gevoeligheden spelen waarover zij met elkaar in gesprek moeten gaan. Er is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake van een situatie waarin het onverantwoord is dat partijen in dezelfde woning verblijven gedurende hun echtscheidingsprocedure. Gebleken is dat de woning uit twee woonlagen met meerdere kamers bestaat, waardoor in beginsel de mogelijkheid bestaat om elkaar zoveel mogelijk te vermijden. Daarnaast heeft de man aangegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft als de vrouw gedurende de echtscheidingsprocedure (weer) in de woning – waarvoor hij de lasten draagt – verblijft. De vrouw heeft daarentegen aangegeven dat zij door de vertrouwensbreuk onvoldoende draagvlak heeft om met de man in dezelfde woning te verblijven. Er spelen hier echter twee verschillende aspecten waarvan het belangrijk is dat die uit elkaar worden gehouden. De rechtbank heeft de vrouw goed gehoord in het gesprek over de door haar ervaren vertrouwensbreuk. Die ziet op de relationele kant van de breuk en is vanzelfsprekend invoelbaar. De beslissing over verblijf in de woning is echter vooral praktisch van aard en gaat over het belang een dak boven het hoofd te hebben. Dat sprake is van een relationele vertrouwensbreuk is daarvoor van ondergeschikt belang. De relatie van partijen was harmonieus. Er was op geen enkele wijze sprake van gevaar of dreiging. De enkele reden dat de relatie voorbij is, is dat de man heeft opgebiecht gevoelens voor iemand anders te hebben en de vrouw toen niet meer met hem verder wilde. Hoe pijnlijk dit ook is, het is geen reden om één van beiden op straat te zetten. De rechtbank zal dat dus ook niet doen. De rechtbank zal daarom beide verzoeken tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning afwijzen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank:
wijst af de verzoeken van partijen;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
|
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Huizenga, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.W.J. van der Veen, griffier, op 7 juli 2026. |
||