Personen- en familierecht

Beschikking van de kinderrechter over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een jonge…

Rechtbank Rotterdam, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
C/10/722600 / JE RK 26-1315
Procedure
Beschikking
Advocaat
mr. J. van der Stel
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:9806
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een jonge baby, omdat zijn veiligheid in de thuissituatie onvoldoende kan worden gewaarborgd. Verlenging MUHP in afwachting van veiligheidsafspraken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/722600 / JE RK 26-1315

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. J. van der Stel, kantoorhoudende in Schiedam,

De kinderrechter merkt als informant aan:

[vader] ,

hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank onbekend adres.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 3 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.

1.2.

Op 14 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;

  • twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordigers GI] .

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .

2.2.

[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

2.3.

Bij beschikking van 1 juni 2026 is de toen nog ongeboren [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 1 oktober 2026.

2.4.

Bij beschikking van 3 juli 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 juli 2026 tot 31 juli 2026.

3 Het (aangehouden) verzoek

3.1.

De GI heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken. De GI heeft aansluitend verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een maand en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Bij spoedbeschikking van 3 juli 2026 is reeds beslist op de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken. Nu resteert nog een beslissing op de aansluitende verzochte periode voor een maand, te weten tot 31 augustus 2026.

3.3.

De GI handhaaft het verzoek en licht dit als volgt toe. In het kader van de Intensieve Hulpverlening zijn eerder veiligheidsafspraken met de moeder gemaakt. De moeder heeft zich hier niet aan gehouden. De GI wil met de moeder toewerken naar een mogelijke terugplaatsing. Daarvoor is het noodzakelijk dat de moeder de gemaakte afspraken nakomt. Daarnaast dient de moeder hulpverlening te aanvaarden om haar weerbaarheid ten aanzien van de vader te vergroten. De informatie dat de vader naar Polen zal verhuizen, is nieuw en zal door de GI worden onderzocht. [voornaam minderjarige] verblijft in een crisispleeggezin. Vanwege veiligheidsoverwegingen is niet gekozen voor een netwerkplaatsing. Afgelopen week heeft een begeleide omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] plaatsgevonden, die goed is verlopen. Het is van belang dat deze omgang wordt voortgezet. Daarnaast ontvangt de moeder dagelijks een update over hoe het met [voornaam minderjarige] gaat.

4 Het standpunt van de moeder

4.1.

Door en namens de moeder wordt verzocht de spoedmachtiging op te heffen en het resterende verzoek af te wijzen. Een machtiging tot uithuisplaatsing is een ultimum remedium. Er is niet gekozen voor een minder ingrijpende maatregel, zoals een schriftelijke aanwijzing met voorwaarden ten aanzien van de vader. De zorgen rondom de vader vormen de aanleiding voor de uithuisplaatsing. De vader vertrekt binnenkort naar Polen, waardoor deze zorgen worden weggenomen.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk blijft in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

5.2.

[voornaam minderjarige] is met spoed uit huis geplaatst. Al langere tijd bestaan er zorgen over de thuissituatie bij de moeder. Deze zorgen hebben betrekking op de situatie rondom de vader en het huiselijk geweld waarvan de brusjes getuige zijn geweest. Naar aanleiding hiervan zijn veiligheidsafspraken met de moeder gemaakt. De moeder heeft zich niet aan deze afspraken gehouden. De kinderrechter is van oordeel dat de veiligheid van [voornaam minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder op dit moment onvoldoende kan worden gewaarborgd. [voornaam minderjarige] is nog een jonge baby en daarmee extra kwetsbaar. Op dit moment bestaat onvoldoende zicht op de veiligheid en de stabiliteit van de opvoedsituatie. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat de vader naar Polen zal vertrekken, waardoor de zorgen rondom de vader zijn weggenomen. De kinderrechter acht het op dit moment onvoldoende duidelijk of de relatie daadwerkelijk verbroken is en of de vader naar Polen zal vertrekken. De moeder heeft eerder meerdere keren aangegeven dat de relatie met de vader was beëindigd, waarna de situatie opnieuw veranderde. De kinderrechter begrijpt dat de moeder de nog jonge [voornaam minderjarige] mist en graag wil dat hij terug naar huis komt. Een terugplaatsing acht de kinderrechter op dit moment nog te vroeg. Een machtiging tot uithuisplaatsing blijft daarom noodzakelijk. De komende periode moet meer duidelijkheid ontstaan over de veiligheidssituatie en over wat nodig is om een terugplaatsing mogelijk te maken. Daarbij is het van belang dat de moeder zich houdt aan de gemaakte veiligheidsafspraken en dat de GI voortvarend onderzoekt welke mogelijkheden er zijn voor een veilige opvoedsituatie voor [voornaam minderjarige] . Gelet op zijn jonge leeftijd is het belangrijk dat hierover op korte termijn duidelijkheid ontstaat.

5.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 31 augustus 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.