Verbintenissenrecht
Veroordeling tot betaling van schadevergoeding op grond van artikel 6:170 BW.
Rechtbank Rotterdam, 11 april 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:10174 · Rechtbank Rotterdam · 11 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2025-10174
Zaakgegevens
Op 11 april 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 11 april 2025
- Datum publicatie
- 21 augustus 2025
- Zaaknummer
- 11302833 CV EXPL 24-22951
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2025:10174
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling tot betaling van schadevergoeding op grond van artikel 6:170 BW.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11302833 CV EXPL 24-22951
datum uitspraak: 11 april 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: M.V. Karansingh,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon C] .
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
-
de dagvaarding van 6 september 2024, met bijlagen;
-
het antwoord, met bijlagen;
-
de spreekaantekeningen van de vertegenwoordigers van partijen en de ter zitting gemaakte kopieën van foto’s.
Op 21 januari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon A] en [persoon B] (directeuren) voor [eiseres] en [persoon C] (directeur / eigenaar) voor [gedaagde] .
2 De beoordeling
Wat is er gebeurd?
[eiseres] is eigenaar van het motortankschip [vaartuig] . Zij heeft dat schip beschikbaar gesteld aan een klant. Zij heeft ook een lading brandstof geleverd aan het schip. De klant heeft [gedaagde] ingeschakeld om de hoeveelheid geleverde brandstof te meten. Dat werk is uitgevoerd door een medewerker van [gedaagde] door een meetlint met aan het uiteinde een stuk lood in de tank te laten zakken. Daarbij is echter het lood losgeraakt van het meetlint, waardoor het lood in de tank is achtergebleven. De kapitein van het schip heeft daarop te kennen gegeven de brandstof niet uit de tank te kunnen pompen, vanwege de kans op beschadiging van de pomp. [eiseres] heeft vervolgens opdracht gegeven aan [bedrijf] B.V. om het lood uit de tank te halen. Dat heeft zij gedaan waarna [bedrijf] een factuur aan [eiseres] heeft doen toekomen. [eiseres] heeft het in rekening gebrachte bedrag van
€ 2.420,- aan [bedrijf] betaald. [eiseres] heeft zich vervolgens gewend tot [gedaagde] om het bedrag van haar vergoed te krijgen, maar [gedaagde] heeft geweigerd te betalen. Ook na te zijn aangemaand heeft [gedaagde] hierin volhard.
Daarom eist [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van € 2.420,- aan hoofdsom en € 363,- aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met (handels)rente, alsmede de proceskosten. [gedaagde] is het daarmee niet eens.
Wat vindt de kantonrechter hiervan?
[gedaagde] is aansprakelijk, toewijzing hoofdsom en rente
Niet is in geschil dat op 24 november 2023 bij werkzaamheden van een medewerker van [gedaagde] aan boord van voormeld schip een stuk lood losgeraakt is van een meetlint, waardoor dit achter gebleven is in de tank van het schip. [eiseres] heeft onderbouwd gesteld dat zij diezelfde dag opdracht gegeven heeft om het lood uit de tank te halen en dat [bedrijf] daaraan uitvoering gegeven heeft. Dat vindt namelijk steun in de factuur van [bedrijf] , waarop vermeld is dat op 24 november 2023 een duiker de tank van [vaartuig] betreden heeft in verband met het bergen van een meetlint lood. [gedaagde] heeft ervan geweten, want [persoon C] heeft ter zitting gezegd dat de duiker voorafgaand aan zijn werkzaamheden nog gebeld heeft met hem. Daarom wordt het verweer gepasseerd dat het werk niet zou zijn uitgevoerd.
[eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat de berging van het lood op instructie van de kapitein, het bevoegd gezag aan boord van het schip, is gebeurd. Dit was volgens [eiseres] nodig omdat de pomp waarmee de brandstof uit de tank van het schip moest worden gepompt, anders dan op andere schepen, niet beschikte over een filter dat het lood zou kunnen tegenhouden, waardoor bij gebruik van de pomp het risico op schade van zo’n € 60.000,- bestond als het lood in de pomp terecht zou komen. Gelet hierop wordt, anders dan [gedaagde] doet, niet getwijfeld aan de noodzaak van de uitgevoerde werkzaamheden. Dat dit snel moest gebeuren omdat stilliggen van het schip ongeveer € 5.000,- per dag kost, is niet weersproken.
Het aangevoerde dat [bedrijf] of haar duiker niet gecertificeerd zou zijn, heeft [eiseres] weersproken en kan in het midden blijven, want dit maakt niet uit voor de beoordeling van de vraag of [eiseres] aanspraak heeft op vergoeding door [gedaagde] van het bedrag dat [bedrijf] bij haar in rekening heeft gebracht. Dat het om een fors bedrag gaat, maakt voor deze beoordeling ook niet uit. Daarbij wordt opgemerkt dat het gaat om gespecialiseerd werk dat niet ongevaarlijk is en dat, gelet op de kosten van stilliggen, met de nodige spoed moet worden uitgevoerd, zodat niet onbegrijpelijk is dat daaraan een stevig prijskaartje is gehangen.
Het betoog dat [eiseres] geen schade heeft geleden, wordt niet gevolgd want het oplossen van het door [gedaagde] veroorzaakte probleem met het lood, heeft [eiseres] € 2.420,- gekost. [eiseres] heeft ook onderbouwd dat zij het bedrag betaald heeft aan [bedrijf] .
Het klopt dat [gedaagde] geen overeenkomst gesloten heeft met [bedrijf] . Het is [eiseres] geweest die [bedrijf] heeft ingeschakeld. Dat betekent echter niet dat [eiseres] tegenover [gedaagde] geen aanspraak kan maken op vergoeding van genoemde schade als gevolg van de tekortkoming in de uitvoering van de werkzaamheden door (de medewerker van) [gedaagde] . Aanvankelijk heeft [gedaagde] ook (impliciet) aansprakelijkheid erkend door aan [eiseres] te kennen te geven de rekening van [bedrijf] bij haar verzekeraar neer te leggen. De omstandigheid dat haar verzekeraar vervolgens niet tot vergoeding is overgegaan, omdat -naar de kantonrechter begrijpt uit de door [gedaagde] overgelegde brief van de verzekeraar van
10 april 2024 - de aansprakelijkheidsverzekering geen dekking bood voor het voorval, doet aan de aansprakelijkheid niet af. Omdat tussen [eiseres] en [gedaagde] geen contractuele relatie bestaat, wordt de grondslag voor de aansprakelijkheid gebaseerd op onrechtmatige daad. Dus niet op zaakwaarneming, zoals in de dagvaarding is gesteld, want [eiseres] heeft niet het belang van [gedaagde] behartigd, maar haar eigen belang.
Op grond van artikel 6:170 lid 1 BW is voor schade, aan een derde ( [eiseres] ) toegebracht door een fout van een ondergeschikte (de medewerker van [gedaagde] ), degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult ( [gedaagde] ) aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Gelet op de mededeling van de zijde van [gedaagde] ter zitting dat bij het werken met een meetlint dikwijls het lood loslaat, wordt ervan uitgegaan dat de kans hierop door de opdracht van [gedaagde] aan haar medewerker tot het verrichten van de werkzaamheden met het meetlint is vergroot. Tegen deze achtergrond had [gedaagde] moeten nagaan of het meetlint, althans het haakje waarmee het lood aan het meetlint bevestigd was, deugdelijk was, althans haar medewerker kunnen instrueren om dat na te gaan. Ook had zij de medewerker erop kunnen wijzen voorzichtig te werken met het meetlint om te voorkomen dat het lood zou loslaten. Gesteld noch gebleken is dat dat is gebeurd. Daarmee is de aansprakelijkheid van [gedaagde] gegeven.
Daarom wordt het geëiste bedrag van € 2.420,- toegewezen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, zoals gevorderd vanaf 6 december 2023, wat niet is betwist. Niet de handelsrente wordt toegewezen, want de verschuldigdheid van het bedrag vloeit niet voort uit een handelstransactie.
Toewijzing buitengerechtelijke kosten met rente
De buitengerechtelijke kosten van € 363,- worden toegewezen, met de rente vanaf
8 augustus 2024, wat niet is betwist. Aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 115,22 aan dagvaardingskosten, € 496,- aan griffierecht, € 476,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,-) en € 119,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.206,22. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen:
-
€ 2.420,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 6 december 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
-
€ 363,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 8 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op
€ 1.206,22 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465