Verbintenissenrecht

Gecedeerd restant schadevordering na verstekvonnis met beperking tot € 25.000,-

Rechtbank Rotterdam, 25 september 2026

Zaakgegevens

Op 25 september 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
25 september 2026
Datum publicatie
30 september 2026
Zaaknummer
12111418 CV EXPL 26-5335
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:12992
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gecedeerd restant schadevordering na verstekvonnis met beperking tot € 25.000,-

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12111418 CV EXPL 26-5335

datum uitspraak: 25 september 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. E.M. Horssius (Stichting Ombudsman Schadeverzekeringen Nederland)

tegen

[gedaagde] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

vertegenwoordigd door mr. T.L. Urban.

De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 30 januari 2026, met bijlagen;

  • het antwoord;

  • het tussenvonnis van 26 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

[gedaagde] heeft na het tussenvonnis niet meer gereageerd.

2 De verdere beoordeling

2.1.

[eiser] en [echtgenote eiser] zijn eigenaren van een woning in [plaats] , waarin in januari 2022 vochtschade is ontstaan. Volgens [echtgenote eiser] is die schade in totaal € 43.551,55 en moet [gedaagde] dat, op grond van de toepasselijke woonverzekering, vergoeden. [echtgenote eiser] heeft op 28 juli 2025 [gedaagde] gedagvaard en haar vordering beperkt tot € 25.000,-. In die procedure (zaaknummer 11830692 CV EXPL 25-17134), is [gedaagde] op 10 oktober 2025 bij verstek veroordeeld tot betaling van dat bedrag. [echtgenote eiser] heeft het deel van de schadevordering dat boven € 25.000,- uitkomt in juli 2025 aan [eiser] overgedragen.

2.2.

In deze procedure eist [eiser] dat [gedaagde] veroordeeld wordt het restantbedrag van de schadevordering, oftewel € 18.551,55, met rente, aan hem te betalen. Nadat [gedaagde] op dat punt verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat zij bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [eiser] . Omdat [gedaagde] nog niet inhoudelijk op de eis van [eiser] had gereageerd, heeft de kantonrechter haar daartoe alsnog de gelegenheid gegeven. [gedaagde] heeft vervolgens echter niet meer gereageerd.

[gedaagde] moet € 18.551,55 aan [eiser] betalen

2.3.

[gedaagde] heeft niet aangegeven dat de relevante feiten, die in de dagvaarding staan, niet kloppen. Die staan daarom in deze zaak vast. [gedaagde] moet daarom het restantbedrag van de schadevordering, € 18.551,55 dus, aan [eiser] betalen.

[gedaagde] moet rente betalen

2.4.

[gedaagde] moet rente betalen over de toegewezen hoofdsom. Deze zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. Wettelijke rente is namelijk pas verschuldigd in geval van vertraging in de betaling van een geldsom (artikel 6:119 BW) en er is niet gesteld of gebleken dat [eiser] eerder dan bij dagvaarding aanspraak heeft gemaakt op betaling van het bedrag van € 18.551,15 door [gedaagde] .

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

2.5.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 155,67 aan dagvaardingskosten, € 753,- aan griffierecht, € 432,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.484,67. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.6.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 18.551,55 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 30 januari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.484,67 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.

44487