Verbintenissenrecht

Experimentele regelrechterprocedure, geldvordering

Rechtbank Rotterdam, 6 maart 2026

Zaakgegevens

Op 6 maart 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 maart 2026
Datum publicatie
27 maart 2026
Zaaknummer
12025346 RR FORM 25-155
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:3428
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Experimentele regelrechterprocedure, geldvordering

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12025346 RR FORM 25-155

datum uitspraak: 6 maart 2026

Vonnis van de regelrechter

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [plaats] ,

eiser,

die zelf procedeert,

tegen

[gedaagde] ,

vestigingsplaats: [plaats] ,

gedaagde,

vertegenwoordigd door: [naam] .

De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Deze zaak wordt behandeld door de regelrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).

1.2.

Het dossier bestaat uit het volgende processtuk:

- het aanvraagformulier van [eiser] dat de rechtbank op 23 december 2025 heeft ontvangen, met bijlagen.

1.3.

Op 5 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eiser] en de heer [naam] , aanwezig.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] heeft een gebitsprothese voor [eiser] gemaakt. Volgens [eiser] was deze prothese niet goed. Hij eist in deze zaak dat Gebitspraktijk de kosten aan hem betaalt die hij heeft moeten maken voor een nieuwe prothese bij een andere tandtechnicus van in totaal € 805,60.

2.2.

[gedaagde] is het niet eens met de eis. Als [eiser] problemen met de prothese ervaarde, had hij langs kunnen komen voor het verhelpen daarvan. [eiser] heeft er echter zelf voor gekozen om naar een andere tandtechnicus te gaan. [gedaagde] vindt daarom dat zij niets aan [eiser] hoeft te betalen.

Uitkomst

2.3.

De eis van [eiser] wordt afgewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.

[gedaagde] is niet in verzuim, dus [eiser] heeft geen recht op een schadevergoeding

2.4.

Tijdens de zitting heeft [gedaagde] aangegeven dat [eiser] vaak bij haar in de praktijk is geweest, omdat hij steeds andere wensen voor zijn gebitsprothese had. Op verzoek van [eiser] heeft [gedaagde] de prothese meermaals aangepast. [eiser] heeft dit niet weersproken. Volgens [eiser] was de prothese na enige tijd nog steeds niet goed en is hij uiteindelijk naar een andere tandtechnicus gegaan. Hij heeft daarmee een stap overgeslagen, want hij had [gedaagde] eerst in de gelegenheid moeten stellen om de betreffende klacht te beoordelen en indien nodig tot herstel van de prothese overgegaan. Zoals besproken tijdens de zitting heeft hij dat niet gedaan. [eiser] heeft [gedaagde] geen brief gestuurd waarin hij haar een redelijke termijn geeft om het probleem dat hij ervaarde op te lossen (ingebrekestelling). [gedaagde] is dus niet in verzuim geraakt. De kosten die [eiser] heeft moeten maken voor een nieuwe prothese hoeven daarom niet door [gedaagde] vergoed te worden.

[eiser] moet de proceskosten betalen

2.5.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 15 Besluit). De regelrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 50,- aan onkosten (artikel 238 lid 1 Rv).

3 De beslissing

De regelrechter:

3.1.

wijst de eis af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 50,-.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.

43416