Verbintenissenrecht
Executiegeschil, kort geding, geen misbruik van bevoegdheid, afspraken niet nagekomen, mondelinge uitspraak
Rechtbank Rotterdam, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7410 · Rechtbank Rotterdam · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/proces-verbaal/ecli-nl-rbrot-2026-7410
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 25 juni 2026
- Zaaknummer
- 12262366 VV EXPL 26-334
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Proces-verbaalProces-verbaalHet schriftelijke verslag van de zitting, soms met de mondelinge uitspraak van de rechter erin.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7410
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executiegeschil, kort geding, geen misbruik van bevoegdheid, afspraken niet nagekomen, mondelinge uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12262366 VV EXPL 26-334
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 15 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats],
eiseres,
gemachtigde: mr. W. Suttorp,
tegen
Woonstichting Patrimonium,
vestigingsplaats: Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. de Ruiter.
De partijen worden ‘[eiseres]’ en ‘Patrimonium’ genoemd.
De kantonrechter is mr. M. Fiege en de griffier is mr. A. Viergever.
Aanwezig zijn:
-
[eiseres] met mr. W. Suttorp;
-
[naam 1] (woonconsulent) met mr. G. Meijerink namens de gemachtigde van Patrimonium.
1 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[eiseres] huurt van Patrimonium de woning aan [adres]. Op 14 april 2026 hebben de partijen in een procedure, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer 12109871 VV EXPL 26-108, een vaststellingsovereenkomst gesloten, die in een proces-verbaal is vastgelegd. Daarin is, onder meer, het volgende opgenomen:
“(…) 1. [eiseres] zal haar ex-partner, [naam 2], vanaf nu niet meer toelaten tot de woning aan [adres], tenzij er sprake is van omgang van de kinderen in het kader van een regeling die is vastgesteld door de daartoe bevoegde instanties. In dat geval zal [naam 2] in en om de woning mogen verblijven voor zover het nodig is om invulling te geven aan die regeling.
2. Als [eiseres] op enig moment handelt in strijd met hetgeen hierboven onder 1 is bepaald, eindigt de huurovereenkomst op dat moment. Patrimonium mag in dat geval vanaf veertien dagen na betekening van dit proces-verbaal de onder 1 genoemde woning laten ontruimen. (…)”
Patrimonium heeft met een exploot van 20 mei 2026 aangezegd dat zij de woning op 17 juni 2026 gedwongen wil ontruimen. [eiseres] is het daar niet mee eens en daarom is zij dit executiegeschil begonnen. [eiseres] wil in deze procedure dat de kantonrechter Patrimonium verbiedt om tot executie over te gaan, op straffe van een dwangsom.
Patrimonium heeft verweer gevoerd. Zij voert aan dat zij terecht de ontruiming van de woning heeft aangezegd, omdat [eiseres] zich niet aan de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst heeft gehouden. Volgens Patrimonium heeft [eiseres] [naam 2] na 14 april 2026 tóch in haar woning toegelaten. [eiseres] betwist dit.
De kantonrechter wijst de eis van [eiseres] af. Dit betekent dat de ontruiming van de woning op 17 juni 2026 mag doorgaan. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Het staat voldoende vast dat [eiseres] [naam 2] in de woning heeft toegelaten
Patrimonium vindt dat zij bevoegd is om tot ontruiming over te gaan, omdat [eiseres] [naam 2] in de woning heeft toegelaten. [eiseres] stelt dat zij dit niet heeft gedaan en dat Patrimonium daarom niet tot ontruiming mag overgaan. In deze zaak moet dus de vraag beantwoord worden of gebruikmaking van de bevoegdheid tot ontruiming van de woning door Patrimonium in de gegeven omstandigheden misbruik van bevoegdheid oplevert. Naar het oordeel van de kantonrechter is daar geen sprake van.
De kantonrechter vindt dat voldoende is komen vast te staan dat [eiseres] [naam 2] na 14 april 2026 in de woning heeft toegelaten. Als de verschillende verklaringen en alle andere overgelegde stukken in samenhang met elkaar worden bekeken, levert dat namelijk een logisch en rond verhaal op voor wat betreft de gang van zaken op donderdag 23 april 2026.
Eén van de buurtbewoners, [naam 3], verklaart dat hij op 23 april 2026, rond middernacht, een bezorger van Thuisbezorgd via de normale ingang naar de bovengelegen woning van [eiseres] heeft zien lopen en tegelijkertijd [naam 2] naar boven heeft zien lopen via de brandtrap. Die verklaring sluit aan op het door [eiseres] overgelegde bewijs van de bezorging van de bestelling bij Thuisbezorgd om 00:07 uur en de beeldopname van de videodeurbel, waarop te zien is dat een bezorger van Thuisbezorgd rond dat tijdstip over de galerij bij de woning van [eiseres] loopt. Dat [naam 2] niet op die beeldopname te zien is, is begrijpelijk [naam 3] verklaart immers dat [naam 2] niet via de normale ingang, maar via de brandtrap (buiten het zicht van de camera) naar de woning is gegaan.
In de daaropvolgende ochtend is hoofdagent [naam 4] bij de woning van [eiseres] gaan kijken. Dat het bezoek van [naam 4] aan de woning daadwerkelijk op 23 april 2026 was, kan worden afgeleid uit zijn e-mail aan Patrimonium van diezelfde dag, waarin hij aangeeft dat hij ‘vanmorgen’ bij de woning van [eiseres] is geweest. [naam 4] schrijft in die mail dat hij door het keukenraam naar binnen heeft gekeken en [naam 2] in de hal heeft zien staan. Uit het filmpje dat [eiseres] met haar mobiele telefoon heeft gemaakt is te zien dat het inderdaad mogelijk is om op ooghoogte door het keukenraam naar binnen te kijken en dat, als de keukendeur open staat, er ook via het keukenraam in de hal gekeken kan worden.
[naam 4] verklaart dat hij [naam 2] heeft herkend op basis van zijn signalement, afkomstig van gegevens uit het politiesysteem. Er mag van uit worden gegaan dat een politieagent, zoals [naam 4], de waarheid spreekt. De kantonrechter ziet ook geen enkele aanwijzing om daaraan in dit geval te twijfelen. Volgens [eiseres] heeft [naam 4] zich echter vergist. [eiseres] zegt namelijk dat op dat moment niet [naam 2], maar een vriendin ([naam 5]) in de woning aanwezig was. De kantonrechter heeft de beeldopnamen, waarop [naam 2] duidelijk zichtbaar is, vergeleken met de foto van [naam 5]. Het uiterlijk van [naam 2] en [naam 5] verschilt zodanig dat het volstrekt onaannemelijk is dat [naam 4] beide personen met elkaar zou hebben verward.
Het bovenstaande betekent dat er sprake is van een overtuigende verklaring van een onafhankelijke getuige ([naam 4]), die [naam 2] in de woning van [eiseres] heeft gezien. Een verklaring, die aansluit op de verklaring van [naam 3] én die bovendien later nog eens door [naam 4] bevestigd is. Daartegenover staat dat [eiseres] twee verklaringen heeft overgelegd, van zowel haar vriendin [naam 5] als [naam 6], de vriendin van [naam 2]. [naam 5] en [naam 6] zijn echter allebei geen onafhankelijke getuigen, zodat aan die verklaringen minder waarde wordt gehecht dan aan de verklaring van [naam 4].
De kantonrechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [eiseres] [naam 2] op 23 april 2026 in haar woning heeft toegelaten, terwijl dat niet was toegestaan. Daarmee heeft [eiseres] zich niet aan de afspraken gehouden uit de vaststellingsovereenkomst. Zoals uit de hiervoor bij 1.1. vermelde afspraken volgt, mag Patrimonium in dat geval de woning laten ontruimen. De eis van [eiseres] wordt daarom afgewezen. Dat heeft ook tot gevolg dat de geplande ontruiming van 17 juni 2026 mag doorgaan.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan Patrimonium moet betalen op
€ 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 721,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend. Op zitting was ten onrechte ook rekening gehouden met de dagvaardingskosten, maar die heeft Patrimonium niet gemaakt. Daarom heeft de kantonrechter dat in dit proces-verbaal gecorrigeerd.
De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Dat betekent dat deze uitspraak meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
2 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de eis van [eiseres] af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van Patrimonium worden begroot op € 721,-;
verklaart 2.2. van deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Dit proces-verbaal is op 16 juni 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
44487