Strafrecht overig

Verzoek op grond van artikel 6:6:26 Sv tot kwijtschelding dan wel vermindering van betaling van…

Rechtbank Rotterdam, 27 februari 2023

Zaakgegevens

Op 27 februari 2023 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
27 februari 2023
Datum publicatie
11 juni 2026
Zaaknummer
22-024484
Procedure
Beslissing RC
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2023:13113
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek op grond van artikel 6:6:26 Sv tot kwijtschelding dan wel vermindering van betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank acht gehele kwijtschelding niet op zijn plaats. Wel wordt het terug te betalen bedrag verminderd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht

Zittingsplaats Rotterdam

raadkamernummer : 22-024484

datum : 27 februari 2023

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam veroordeelde] , veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te ( [postcode 1] ) [woonplaats] , aan de [adres 1] ,

voor deze zaak domicilie kiezende te ( [postcode 2] ) [plaats] , aan de [adres 2] ,

ten kantore van zijn advocaat mr. A.J.M. Vélu,

hierna te noemen: de veroordeelde.

Feiten

Het gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde bij arrest van 16 mei 2012 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van

€ 203.662,59. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.

De veroordeelde heeft tot 27 oktober 2022, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, een bedrag van € 4.525,29 betaald. Het openstaande bedrag van de ontnemingsmaatregel bedraagt hiermee € 199.137,10.

Procedure

Het verzoek van de veroordeelde is op 27 oktober 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 27 februari 2023 het verzoek op de openbare zitting behandeld.

De rechtbank heeft de veroordeelde, de raadsman en de officier van justitie in raadkamer gehoord.

Verzoek

Het verzoek strekt tot kwijtschelding, althans vermindering van de aan de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde verplichting tot betaling aan de staat.

Namens de veroordeelde is aangevoerd dat veroordeelde een bijstandsuitkering ontvangt en zij daardoor weinig geld heeft om af te lossen. Veroordeelde houdt per maand € 16,09 over. De kans is groot dat als veroordeelde de schuld moet aflossen dit zal zorgen voor nieuwe schulden. Veroordeelde is 61 jaar, is de Nederlandse taal niet machtig, heeft geen opleiding gevolgd en heeft artrose. Gelet op het bovenstaande is het niet reëel dat veroordeelde een baan gaat vinden. Veroordeelde ontvangt 70 euro leefgeld per week.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat de veroordeelde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet over voldoende middelen beschikt om de ontnemingsmaatregel te betalen. In december 2021 heeft de bewindvoerder van de veroordeelde een betalingsvoorstel gedaan aan het CJIB om 5 procent van de ontnemingsmaatregel af te lossen en dat daarmee de vordering is voldaan. De officier van justitie is van oordeel dat de openstaande schuld moet worden verminderd tot een bedrag van € 10.000,=. Zij vindt het aannemelijk dat de veroordeelde dit bedrag kan betalen gelet op het voorstel van haar bewindvoeder.

Beoordeling

De rechter kan ingevolge artikel 6:6:26 lid 1 Sv op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het bij wege van een ontnemingsmaatregel vastgelegde bedrag verminderen of kwijtschelden. Veroordeelde moet wel aannemelijk maken niet meer over voldoende draagkracht te beschikken. Om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van het opgelegde ontnemingsbedrag rust op de verzoeker dus de verplichting om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aan te geven dat nu en – in dit geval van belang – de toekomst geen draagkracht aanwezig is om het te betalen bedrag te voldoen. Een structureel gebrek aan draagkracht kan onder andere worden aangetoond met behulp van bewijsstukken omtrent het inkomen en vermogen in combinatie met de arbeidsrechtelijke situatie van veroordeelde.

De rechtbank is van oordeel dat gekeken moet worden of en in hoeverre de veroordeelde draagkracht heeft om aan de haar opgelegde betalingsverplichting te voldoen en of zij er alles aan heeft gedaan om aan die betaling te voldoen. De veroordeelde heeft weliswaar een uitkering, maar de rechtbank deelt het standpunt dat door veroordeelde naar voren is gebracht, inhoudende dat voldoende aannemelijk is dat veroordeelde eenvoudigweg geen draagkracht heeft en, naar het zich laat aanzien, ook niet zal krijgen om de betalingsverplichting na te komen. Ter zitting is dit nader toegelicht en onderbouwd met een overzicht van maandelijkse inkomsten en uitgaven, waaruit blijkt dat de veroordeelde maandelijks een bedrag overhoudt van € 87,05. Omdat veroordeelde wel enige draagkracht heeft en de betalingsverplichting niet voor niets is opgelegd, acht de rechtbank gehele kwijtschelding van het bedrag op dit moment niet op zijn plaats. Wel zal de rechtbank het bedrag verminderen tot een bedrag van € 10.000,=. Het verzoek zal dus in zoverre worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • wijst af het verzoek tot volledige kwijtschelding van het door de veroordeelde ingevolge het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 mei 2012 nog aan de staat te betalen bedrag

  • wijst toe het verzoek tot vermindering van het door de veroordeelde ingevolge het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 mei 2012 nog aan de staat te betalen bedrag, in zoverre dat thans nog resteert een bedrag van € 10.000,=.

Deze beslissing is gegeven door

mr. W.M. Stolk, rechter,

in tegenwoordigheid van L.R. van Zaanen, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2023.