Vreemdelingenrecht
Verzetprocedure. Artikel 8:55 van de Awb. Verzet na niet-ontvankelijkheid verzoek om een voorlopige…
Rechtbank 's-Gravenhage, 3 mei 2010
ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8101 · Rechtbank 's-Gravenhage · 3 mei 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-s-gravenhage/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/verzet/ecli-nl-rbsgr-2010-bm8101
Zaakgegevens
Op 3 mei 2010 heeft de Rechtbank 's-Gravenhage uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank 's-GravenhageRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 mei 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- Awb 09 / 35454
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8101
Samenvatting
Verzetprocedure. Artikel 8:55 van de Awb. Verzet na niet-ontvankelijkheid verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank is onbevoegd om van het verzet kennis te nemen.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het verzoek om een voorlopige voorziening niet ontvankelijk verklaard. Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingediend. De rechtbank is onbevoegd om van het verzet kennis te nemen. De rechtbank overweegt dat artikel 8:55, eerste lid, van de Awb noch enig ander wettelijk voorschrift de mogelijkheid opent om verzet bij de rechtbank te doen tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring van een verzoek om een voorlopige voorziening. De omstandigheid dat onder de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2010 per abuis een onjuiste rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen, doet niet af aan de onbevoegdheid van de rechtbank.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 09/35454 VERZET
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2010
op het verzet van
[eiseres],
geboren op [geboortedatum] 1975,
nationaliteit Ghanese,
verblijvende te Amsterdam,
opposante,
gemachtigde mr. J. Jager,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2010.
Procesverloop
Bij uitspraak van 26 januari 2010 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het op 30 september 2009 namens opposante ingediende verzoek om een voorlopige voorziening, niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingediend bij verzetschrift van 4 februari 2010, ter griffie ontvangen op diezelfde datum. Op 8 februari 2010 heeft de rechtbank aanvullende stukken van opposante ontvangen.
Overwegingen
1. Aan de orde is het verzet tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2010.
2. In deze uitspraak heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, het verzoek van opposante om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Onder de uitspraak is per abuis opgenomen dat tegen de uitspraak het rechtsmiddel verzet openstaat.
3. De rechtbank overweegt dat artikel 8:55, eerste lid, van de Awb noch enig ander wettelijk voorschrift de mogelijkheid opent om verzet bij de rechtbank te doen tegen de
niet-ontvankelijkheidverklaring van een verzoek om een voorlopige voorziening.
4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank onbevoegd om van het verzet kennis te nemen. De omstandigheid dat onder de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2010 per abuis een onjuiste rechtsmiddelenverwijzing is opgenomen, doet niet af aan de onbevoegdheid van de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart zich onbevoegd om van het verzet kennis te nemen.
Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in tegenwoordigheid van M.J.A. van Bree als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2010.