Belastingrecht

8:57; verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 mei 2025

Zaakgegevens

Op 12 mei 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
12 mei 2025
Datum publicatie
12 mei 2025
Zaaknummer
BRE 25/954 en 25/955
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:2846
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

8:57; verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 25/954 en 25/955


uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2025 in de zaak tussen


[verzoeker], uit [plaats] (Curaçao), verzoeker

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoeker. Belanghebbende is het niet eens met de in rekening gebrachte kosten in verband met het betekenen van het dwangbevel tot betaling van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2020 en 2021 met aanslagnummers [bsn].H.06.01 en [bsn].H.16.01. Bij de rechtbank zijn beroepen over die aanslagen aanhangig.

1.1.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft. Partijen hebben niet verklaard gebruik te willen maken dit recht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verzoeken niet-ontvankelijk zijn. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken niet-ontvankelijk zijn.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In zaken als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?

2.1.

De griffier heeft in beide digitale dossiers op 18 maart 2025 een bericht geplaatst. Verzoeker is hierbij in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van het bericht. De griffier heeft in beide digitale dossiers op 4 april 2025 wederom een bericht geplaatst. Verzoeker is hierbij nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van het bericht.

2.2.

Van de plaatsing van de berichten in de digitale dossiers is op dezelfde datum een notificatie aan verzoeker verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat verzoeker de berichten op 18 maart 2025 en 4 april 2025 heeft ontvangen. Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald.

Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?

2.3.

Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. De verzoeken zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de verzoeken niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken om voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 12 mei 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb. Gelet op artikel 6:36c, tweede lid van de Awb.