Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Voorlopige voorziening · Belastingrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31 maart 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:2405 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 31 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/belastingrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbzwb-2026-2405
Zaakgegevens
Op 31 maart 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 31 maart 2026
- Datum publicatie
- 31 maart 2026
- Zaaknummer
- BRE 26/14
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2405
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
VOVO no griffierecht
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/14
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster, ontvangen door de rechtbank op 2 januari 2026.
Voor het verzoek is verzoekster griffierecht verschuldigd van € 54.
Op 7 januari 2026 is aan verzoekster bij aangetekende brief de nota griffierecht verzonden. In die brief wordt verzoekster verzocht het griffierecht van € 54 uiterlijk twee weken na de datum van dagtekening van die brief te betalen. De brief vermeldt verder dat niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek kan volgen, als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald. Volgens gegevens van Track & Trace van PostNL is de brief bij verzoekster bezorgd.
Motivering
2. Omdat uit informatie van PostNL blijkt dat de in 1.2 bedoelde brief op 9 januari 2026 aan verzoekster is uitgereikt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster op de juiste wijze in de gelegenheid is gesteld het griffierecht te voldoen.
Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht niet is ontvangen. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:82, derde lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier voorzieningenrechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.