Bestuursrecht overig
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Voorlopige voorziening · Bestuursrecht overig
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 februari 2021
ECLI:NL:RBZWB:2021:463 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 4 februari 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbzwb-2021-463
Zaakgegevens
Op 4 februari 2021 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 februari 2021
- Datum publicatie
- 5 februari 2021
- Zaaknummer
- AWB- 20_8345 VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2021:463
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet-ontvankelijk
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/8345 PW VV
uitspraak van 4 februari 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is op 7 september 2020 ontvangen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
1. In artikel 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Verzoeker is schriftelijk gewezen op deze verplichting. Verzoeker heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht. Ondanks een verzoek van de griffier heeft verzoeker geen onderbouwing gegeven van zijn verzoek. Met de brief van 11 januari 2021 is het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om alsnog het griffierecht te betalen. Daarbij is aan verzoeker meegedeeld dat het griffierecht uiterlijk op 26 januari 2021 moet zijn bijgeschreven op de rekening. Verzoeker is er ook op gewezen dat bij niet tijdige betaling het beroepschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. De voorzieningenrechter constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Verzoeker heeft op 31 januari 2021 gevraagd om uitstel van betaling. Omdat dit verzoek na afloop van de gestelde termijn is gedaan, zal dit verzoek niet worden gehonoreerd. Het verzoek om voorlopige voorziening zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het verzoek niet inhoudelijk in behandeling zal worden genomen.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 4 februari 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.