Bestuursrecht overig
Terugvordering bijstandsuitkering
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 juni 2022
ECLI:NL:RBZWB:2022:3134 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 8 juni 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbzwb-2022-3134
Zaakgegevens
Op 8 juni 2022 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juni 2022
- Datum publicatie
- 9 juni 2022
- Zaaknummer
- AWB- 22_2101 VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3134
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Terugvordering bijstandsuitkering
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2101 PW VV
uitspraak van 8 juni 2022 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[naam verzoekster] (verzoekster), te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. B.G.M. de Ruijter,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (het college), verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van 7 april 2022 (bestreden besluit) over de terugvordering van haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.
In een besluit van 20 april 2022 heeft het college een (nieuwe) bijstandsuitkering toegekend aan verzoekster met ingang van 7 april 2022. Vervolgens heeft verzoekster haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren middels een brief van 10 mei 2022.
De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door het college aan verzoekster. Met het besluit van 20 april 2022 heeft het college het bestreden besluit namelijk niet herzien of ingetrokken, maar heeft het beslist op een (nieuwe) bijstandsaanvraag die verzoeker op 7 april 2022 heeft ingediend. Het besluit van 20 april 2022 heeft betrekking op een nieuwe periode, en is niet genomen naar aanleiding van verzoeksters bezwaren tegen het bestreden besluit. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van de gemaakte proceskosten. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.
3. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 8 juni 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.