Omgevingsrecht

Gemeentewet voorlopige voorziening, pkv.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 april 2025

Zaakgegevens

Op 18 april 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
18 april 2025
Datum publicatie
18 april 2025
Zaaknummer
BRE/ 25/930
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2025:2305
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gemeentewet voorlopige voorziening, pkv.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/930 GEMWT VV


uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 april 2025 in de zaak tussen


[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. R.A.A. Maat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland (het college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening vanwege het besluit van het college van 9 januari 2025.

1.1.

Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat het college heeft laten weten voorlopig de werking van dit besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat zij de proceskosten ruimschoots compenseert, door het besluit voorlopig niet te handhaven waardoor verzoeken groot financieel voordeel geniet.

1.3.

De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?

3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

3.1.

In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.

Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?

4. Het college is met het voorlopig opschorten van de werking van het besluit aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.

Welke kosten dient het college te vergoeden?

5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 907,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het college de werking van het besluit van 9 januari 2025 en het besluit van 9 juli 2024 voorlopig heeft opgeschort totdat op het beroep is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoeker terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 18 april 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263. Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252. Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930. Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.