Omgevingsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - meervoudig · Omgevingsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 december 2023

Zaakgegevens

Op 8 december 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
8 december 2023
Datum publicatie
20 december 2023
Zaaknummer
AWB- 21_3646 V
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2023:8982
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WATER

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/3646 V


uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2023 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant.

Procesverloop

1. Opposant heeft beroep ingesteld tegen het peilbesluit Duiveland dat het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen op 1 juli 2021 heeft vastgesteld.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 1 februari 2023 op zitting behandeld. Ter zitting is het beroep aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen samen in overleg te treden en nader onderzoek te verrichten naar eventuele maatregelen die getroffen kunnen worden om wateroverlast op de percelen van opposant te voorkomen.

1.2.

In een brief van 25 april 2023 heeft het waterschap de rechtbank medegedeeld dat dit overleg heeft plaatsgevonden en dat tijdens het overleg overeenstemming is bereikt en afspraken zijn gemaakt tussen partijen. Naar aanleiding daarvan heeft opposant zijn beroep ingetrokken en heeft hij (de meervoudige kamer van) de rechtbank verzocht om het waterschap te veroordelen in de proceskosten.

1.3.

Met de uitspraak van 19 juli 2023 heeft de rechtbank het waterschap veroordeeld in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 47,71.

1.4.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

1.5.

Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het waterschap veroordeeld in de proceskosten van opposant. Daarbij heeft de rechtbank onder andere de verletkosten vastgesteld op een bedrag van € 16,- (2 uur x € 8,-).

3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de proceskosten juist zijn vastgesteld.

4. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de hoogte van de verletkosten veel te laag is vastgesteld. Opposant acht een bedrag van € 89,- per uur aan verletkosten een redelijk uurtarief. Opposant geeft aan dat hij door de zitting drie uur niet heeft kunnen werken.

5. De rechtbank stelt vast dat opposant bij de intrekking van zijn beroep heeft aangegeven aanspraak te maken op drie uur aan verletkosten, namelijk één uur voor het bijwonen van de zitting en twee uur vanwege reistijd. De rechtbank is in haar buiten-zittinguitspraak ten onrechte uitgegaan van twee uur aan verletkosten. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 juli 2023 de hoogte van de proceskostenveroordeling daarom niet juist vastgesteld.

6. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om uit te gaan van een ander uurtarief dan in de uitspraak van 19 juli 2023 is gehanteerd. Met het enkel vermelden van een volgens hem redelijk uurtarief (zowel in beroep als in verzet) heeft opposant niet met gegevens of bescheiden onderbouwd dat hij hogere verletkosten heeft gemaakt. Omdat een specificatie ontbreekt, dient de rechter volgens vaste jurisprudentie de vergoeding op het laagste tarief vast te stellen. Daarom wordt uitgegaan van het laagste in het Besluit proceskosten bestuursrecht genoemde uurtarief van € 8,-.

7. Het verzet is gegrond. De rechtbank zal de beslissing van de rechtbank van 19 juli 2023 om het waterschap te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag € 47,71 vervallen verklaren. Opposant had immers aanspraak op één verletuur extra tegen een tarief van € 8,-. De rechtbank wijst het verzoek van opposant voor een proceskostenvergoeding daarom toe voor een bedrag van € 55,71 (€ 47,71 plus € 8,-).

8. Er zijn in de verzetsprocedure geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het verzet gegrond;

  • verklaart de beslissing van de rechtbank van 19 juli 2023 om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 47,71 vervallen;

  • veroordeelt het waterschap in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 55,71.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, voorzitter, en mr. J. van Alphen en mr. A.G.J.M. de Weert, leden, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 8 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.