Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 25/3267
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9786
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geen procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/3267 PW


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het herzieningsverzoek van eiseres. Eiseres heeft verzocht om een aantal besluiten over de AIO-uitkering van eiseres en wijlen haar echtgenoot ter herzien omdat het daaraan ten grondslag liggende projectmatig onderzoek van de SVB discriminatoir is. Dit is volgens eiseres een nieuw feit op grond waarvan de SVB tot herziening van de besluiten over had moeten gaan.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 17 maart 2025 een herzieningsverzoek ingediend. De SVB heeft het herzieningsverzoek met het besluit van 13 mei 2025 afgewezen (primair besluit). Met het bestreden besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de SVB bij de afwijzing gebleven.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met twee verweerschriften.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep, gezamenlijk met het beroep met zaaknummer 25/3263, op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en mr. P.C.A. Buskens en mr. P.C. van der Voorn namens de SVB.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres en haar inmiddels overleden echtgenoot ontvingen van de SVB een AIO-aanvulling vanaf 9 oktober 2009.

3.1.

Vanaf 2013 voert de SVB gefaseerd een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de AIO-aanvulling van alle AIO-gerechtigden met betrekking tot verblijf en vermogen in het buitenland. Eiseres en haar echtgenoot waren geselecteerd voor een onderzoek naar het verblijf en het vermogen in het buitenland over het jaar 2015.

3.2.

Uit internetonderzoek was naar voren gekomen dat de echtgenoot van eiseres bekend was bij de afdeling onroerendgoedbelasting van de gemeente Elbistan in Turkije. De SVB is vervolgens een nader onderzoek gestart. In dat kader heeft de SVB een machtigingsformulier voor onderzoek naar vermogen in het buitenland aan eiseres en haar echtgenoot gezonden met het verzoek dit volledig ingevuld te retourneren. Omdat deze machtiging niet werd teruggestuurd, heeft de SVB op 11 februari 2020 besloten om de uitkering per 1 februari 2020 op te schorten.

3.3.

Met het besluit van 27 maart 2020 heeft de SVB besloten dat eiseres vanaf april 2020 weer elke maand een AIO-aanvulling ontvangt en een nabetaling ontvangt over de maanden februari en maart 2020. De reden hiervoor is dat de SVB een verkeerd machtigingsformulier had toegezonden.

3.4.

Uit een nadere rapportage van de Sociaal Attaché van 18 oktober 2021 blijkt dat uit aanvullend onderzoek naar voren is gekomen dat de echtgenoot van eiseres voorafgaand aan de toekenning van de AIO-aanvulling meerdere aandelen in percelen en onroerende goederen heeft verworven uit een erfenis. In de periode van 2011 tot en met 2018 hebben meerdere transacties plaatsgevonden. De taxatiewaarde van de verkochte erfdelen is bepaald op € 108.793,-.

3.5.

Met het besluit van 19 november 2021 heeft de SVB besloten om de uitkering per 1 november 2021 op te schorten om nader onderzoek te doen naar vermogen in het buitenland. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 17 maart 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft daarna beroep ingesteld. Met een uitspraak van deze rechtbank is het beroep ongegrond verklaard.

3.6.

De SVB heeft eiseres in het kader van het nadere onderzoek meerdere malen verzocht om bepaalde stukken te overleggen. Eiseres heeft op deze verzoeken niet gereageerd. De SVB heeft met het besluit van 23 augustus 2023 daarom het recht op AIO-aanvulling met ingang van 9 oktober 2009 ingetrokken en een bedrag van € 69.164,35 teruggevorderd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De SVB heeft met het besluit van 15 mei 2024 het bezwaar van eiseres (gedeeltelijk) gegrond verklaard en besloten de AIO-aanvulling vanaf oktober 2011 in te trekken en de terugvordering te verlagen naar

€ 58.322,61. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Met een uitspraak van deze rechtbank is het beroep ongegrond verklaard. Eiseres heeft hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep loopt nog.

3.7.

Op 27 december 2024 heeft eiseres een herzieningsverzoek ingediend met betrekking tot de besluiten van 11 februari 2020, 27 maart 2020, 19 november 2021 en 23 augustus 2023. De SVB heeft dit herzieningsverzoek op 19 februari 2025 afgewezen.

3.8.

Op 17 maart 2025 heeft eiseres opnieuw een herzieningsverzoek ingediend met betrekking tot dezelfde besluiten. De SVB is vervolgens overgegaan tot de bestreden besluitvorming.

Procesbelang

4. Ter zitting heeft eiseres het beroep ingetrokken voor zover dit ziet op de herziening van de drie besluiten over opschorting van 11 februari 2020, 27 maart 2020 en 19 november 2021.

4.1.

Het beroep beperkt zich daarom tot de beoordeling van het verzoek tot herziening van het besluit van 23 augustus 2023.

4.2.

Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling dient de vraag te worden beantwoord of eiseres procesbelang heeft. Een beroep is namelijk niet-ontvankelijk als het procesbelang ontbreekt. Volgens vaste jurisprudentie is slechts sprake van voldoende procesbelang, als het resultaat dat de indiener van een beroep met het instellen van het beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.3.

Het besluit van 23 augustus 2023 is een primair besluit, waartegen eiseres bezwaar heeft ingediend. De SVB heeft op 15 mei 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Met die beslissing op bezwaar is het bezwaar gegrond verklaard. De periode van intrekking van de AIO-invulling is daarbij gewijzigd en het terugvorderingsbedrag is opnieuw vastgesteld, op een lager bedrag.

4.4.

Bij de beslissing op bezwaar van 15 mei 2024 heeft de SVB het primaire besluit van 23 augustus 2023 dus feitelijk herroepen, als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht en daarvoor een nieuw besluit in de plaats gesteld. Met het verzoek om herziening van het (primaire) besluit van 23 augustus 2023 kan eiseres niet bereiken dat de intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling, zoals besloten in de beslissing op bezwaar van 15 mei 2024, ongedaan worden gemaakt. Gelet hierop heeft eiseres geen (proces)belang bij de beoordeling van het bestreden besluit in deze beroepsprocedure, omdat dit voor haar feitelijk geen betekenis zou hebben.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank komt tot de conclusie dat het procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit ontbreekt. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 8 oktober 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Zie de uitspraak van 26 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3003. Zie de uitspraak van 11 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1447