Vreemdelingenrecht

herhaalde asielaanvraag, NMO rapportagedoet afbreuk aan eerder afgelegde verklaringen, besluit onvoldoende…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 december 2013

Zaakgegevens

Op 12 december 2013 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12 december 2013
Datum publicatie
9 december 2013
Zaaknummer
VK-13_12241_Uitspraak.doc
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2013:9069
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

herhaalde asielaanvraag, NMO rapportagedoet afbreuk aan eerder afgelegde verklaringen, besluit onvoldoende gemotiveerd, beroep gg besluit vnt

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/12241

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. F. Ticheler.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 april 2013 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A.M. Nakanya, tolk in de Ugandese taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1990 en de Ugandese nationaliteit te bezitten. Op 25 mei 2012 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 5 juni 2012 deze aanvraag afgewezen omdat eiser toerekenbaar geen documenten over zijn reisroute heeft overgelegd en daarnaast het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig geacht. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft bij uitspraak van 28 juni 2012 (AWB 12/18178 het beroep tegen het afwijzende besluit ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft het daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

2.

Op 1 maart 2013 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat er op 12 december 2012 een rapportage van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (IMMO) van hem is opgesteld over zijn lichamelijke en psychische gesteldheid. Dit werpt volgens eiser een nader licht op de door hem in de eerste asielprocedure afgelegde verklaringen.

3.

Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met het bepaalde in het tweede lid aanhef en onder f, van dat artikel de aanvraag afgewezen. Voorts heeft verweerder gesteld dat de door eiser overgelegde IMMO-rapportage niet betekent dat zonder meer van de geloofwaardigheid van het relaas dient te worden uitgegaan. Verweerder stelt dat er geen aanleiding bestaat tot het instellen van een medisch onderzoek. Verweerder stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd. Daarnaast heeft verweerder besloten dat artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is op eiser.

4.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat hij bij zijn eerste asielaanvraag niet in staat was om compleet, coherent en consistent te verklaren. Hiertoe heeft eiser een onderzoeksrapportage van het IMMO overgelegd waarbij onderzoek is gedaan naar eisers medische situatie. Eiser stelt dat hij hiermee aanknopingspunten heeft ingebracht die aantonen dat de eerste asielprocedure het onderzoek van Medifirst niet goed is verlopen. Verweerder had aanvullend onderzoek moeten verrichten. Mede gelet op de onderbouwing van het IMMO ten aanzien van de littekens en zijn psychische problematiek. Eiser stelt dat dat sprake is van traumata en hij is aan te merken als vluchteling dan wel dat terugkeer naar zijn land van herkomst strijdig is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.

Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van eisers asielaanvraag en is daarom in zoverre van gelijke strekking als het eerdere afwijzende besluit van verweerder van 5 juni 2012.

6.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN: BC7124) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door betrokkene aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen.

7.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

8.

Vooropgesteld dient te worden dat in rechte is komen vast te staan dat eisers asielrelaas in de eerdere asielprocedure ongeloofwaardig is bevonden.

9.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de IMMO rapportage dateert van na het eerdere besluit van 5 juni 2012. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de door eiser overgelegde IMMO rapportage van 14 november 2012 alsmede de toelichting op de conclusies uit die rapportage geen aanleiding vormen voor het aannemen van een novum. Uit de IMMO rapportage blijkt dat eiser weliswaar reeds ten tijde van de eerste asielaanvraag bekend was met psychische problemen, echter voorafgaand aan de gehoren is eiser door Medifirst onderzocht en hieruit is gebleken dat eiser kon worden gehoord. Beperkingen werden niet vastgesteld. Verder is gebleken dat door eiser noch zijn gemachtigde voorafgaand aan de gehoren niet is aangevoerd dat eiser niet zou kunnen worden gehoord in verband met zijn psychische problemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft mogen achten en de IMMO rapportage kan niet tot een ander oordeel leiden.

10.

Nu voor het overige niet is gebleken van nova, zich geen voor eiser relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in eerder genoemde zaak Bahaddar, ís voor rechterlijke toetsing van het bestreden besluit geen plaats. Het beroep kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

11.

Het beroep is ongegrond.

12.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Graaf, rechter, in tegenwoordigheid van P.C.M. van Leeuwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op [datum uitspraak].

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.