Arbeidsrecht

Verzoeker volgde een BBL-opleiding en was in het kader daarvan in dienst van gedaagde. Werkgever zegde het…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Bergen op Zoom
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
9 oktober 2026
Zaaknummer
12240070 \ AZ VERZ 26-24 (E)
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9817
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoeker volgde een BBL-opleiding en was in het kader daarvan in dienst van gedaagde. Werkgever zegde het dienstverband op omdat verzoeker zich wederom had misdragen op de werkvloer en de school van verzoeker de opleiding zou beëindigen. Verzoeker stelt dat hij het slachtoffer was van grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer en dat hij werd ontslagen omdat hij er wat van zou hebben gezegd. Uit overgelegde verklaringen van collega's van verzoeker blijkt echter het tegenovergestelde. Het gedrag van verzoeker liet te wensen over. Het verzoek wordt afgewezen aangezien werkgever de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd, omdat de school de opleidingsovereenkomst met verzoeker zou beëindigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer / rekestnummer: 12240070 \ AZ VERZ 26-24

Beschikking van 8 oktober 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1],

verzoekende partij,

hierna te noemen: [werknemer],

gemachtigde: mr. R.D. Ramnath, FNV,

tegen

[werkgever], H.O.D.N. [bedrijf],

te [plaats 2],

verwerende partij,

hierna te noemen: [werkgever],

gemachtigde: mr. J.M. Smits-de Rave, ARAG Rechtsbijstand.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- de mondelinge behandeling van 9 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[werknemer], geboren [datum] 2006, is per 1 november 2025 voor bepaalde tijd (10 maanden) in dienst getreden van [werkgever] in de functie van Leerling Kok. Het laatst verdiende loon bedroeg € 1.778,40 bruto per maand tegen een arbeidsomvang van 32 uur per week. Op de dienstbetrekking is de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf van toepassing verklaard.

2.2.

[werknemer] volgt een beroepspraktijkopleiding tot kok bij de [onderwijsinstelling]. Ten behoeve van deze opleiding is [werknemer] bij [werkgever] als het leerbedrijf in dienst getreden. [onderwijsinstelling] is met [werknemer] op 6 oktober 2025 een BPV-contract (Begeleidingstraject Beroepspraktijkvorming) aangegaan, waarin onder andere is opgenomen dat als de arbeidsovereenkomst met het leerbedrijf tussentijds wordt beëindigd, de opleiding tot kok ook wordt beëindigd.

2.3.

Op 21 maart 2026 wordt [werknemer] door [werkgever] naar huis gestuurd en verstuurt [werkgever] het volgende bericht via WhatsApp naar [werknemer]: “, zoals afgesproken. Bellen we je leraar morgen. En dan gaan we kijken hoe dit verder gaat. Een onwerkbare situatie is gecreëerd door onder andere uitspraken te doen zoals: ik hoop dat deze tent afbrand en met sommigen mensen die hier werken erbij. Wij weten geen raad meer. We laten jou leraar dit verder regelen. Met morgen doel ik op maandag. Jou leraar werkt niet op zondag. Je hoeft morgen dan ook niet te komen werken, tot er duidelijkheid is vanuit school.”.

2.4.

Op 23 maart 2026 zegt [werkgever] per brief de arbeidsovereenkomst op met ingang van 23 maart 2026. De reden hiervoor is dat [werknemer] de regels van de praktijkovereenkomst omtrent gedrag heeft overschreden en omdat [werkgever] van [onderwijsinstelling] heeft vernomen dat [werknemer] van school zal worden gestuurd.

2.5.

[onderwijsinstelling] heeft op 26 maart 2026 aan [werknemer] medegedeeld dat de opleiding tot kok wordt beëindigd vanwege het niet nakomen van artikel 4 van het BPV-contract en vanwege herhaald grensoverschrijdend gedrag. [werknemer] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[werknemer] verzoekt, na wijziging van haar verzoek, de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto, een transitievergoeding van € 253,75 bruto en een gefixeerde schadevergoeding van € 2.531,79 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie. Daarnaast vordert [werknemer] betaling van de wettelijke rente over voornoemde bedragen. Ook vordert [werknemer] [werkgever] te veroordelen om binnen vijf dagen na de uitspraak de eindafrekening ter beschikking te stellen op straffe van een dwangsom.

3.2.

[werknemer] stelt dat de opzegging niet rechtsgeldig is en hij voert – samengevat – het volgende aan. Tijdens het dienstverband kon [werkgever] met stemverheffing praten wat intimiderend overkwam en maakte [werkgever] onterechte verwijten waardoor [werknemer] onzeker werd. Ook een collega van [werknemer] vertoonde grensoverschrijdend gedrag door seksueel getinte opmerkingen richting [werknemer] te maken. Verder was [werkgever] soms handtastelijk waarbij [werknemer] een stevige hand op de schouder of een ‘tik’ kreeg. Dit gebeurde ook op 19 maart 2026. Op deze dag werd de moeder van [werknemer] geopereerd. Op een rustig moment in de keuken keek hij op zijn mobiele telefoon om te zien of er een update was over zijn moeder. Plots voelde hij een harde klap op zijn achterhoofd. Dat bleek [werkgever] te zijn. [werkgever] keek daarbij dreigend naar [werknemer] en zei dat hij zijn mobiel weg moest doen. [werknemer] deed dat en deelde aan [werkgever] mede dat hij hem niet mag slaan. [werkgever] liep weg en [werknemer] heeft de werkdag vervolgd. Het weerwoord van [werknemer] is hem duur komen te staan, aangezien [werkgever] vervolgens de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

[werkgever] heeft onder andere als reden voor de opzegging aangevoerd dat hij heeft vernomen dat [onderwijsinstelling] [werknemer] van school zou sturen. Ten tijde van deze opzegging was de praktijkleerovereenkomst niet beëindigd, zodat dit geen geldige reden is voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast heeft [werkgever] als reden voor de opzegging aangevoerd dat [werknemer] de gedragsregels uit de Praktijkovereenkomst heeft overschreden. [werkgever] bewijst dit echter niet. [werknemer] is ook niet bekend met het overschrijden van gedragsregels, althans hij is door [werkgever] nooit hierop (schriftelijk) gewezen. Dit maakt dat de opzegging niet rechtsgeldig is verleend.

Het grensoverschrijdend gedrag van [werkgever] heeft [werknemer] doen beslissen om geen vernietiging van het ontslag te verzoeken. [werkgever] heeft niet opgetreden tegen het grensoverschrijdend gedrag door collega’s en heeft hier zelfs aan meegedaan. [werknemer] heeft deze omstandigheid meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de verzochte billijke vergoeding.

3.3.

[werkgever] voert verweer en voert – samengevat – het volgende aan. [werkgever] betwist het door [werknemer] gestelde grensoverschrijdend gedrag. Het tegenovergestelde is hier van toepassing. [werknemer] heeft zich door zijn gedrag onmogelijk gemaakt op de werkvloer. Op 30 januari heeft [werknemer] een eerste en op 7 maart 2026 een tweede officiële waarschuwing gekregen van [werkgever]. Op 21 maart 2026 vond er wederom een incident plaats waarbij [werknemer] doorging met duwen en schelden. [werknemer] is toen naar huis gestuurd vanwege de zeer dreigende sfeer. Andere medewerkers voelden zich niet meer veilig. [werkgever] heeft vervolgens op 21 maart 2026 een bericht via WhatsApp naar [werknemer] verstuurd met de mededeling dat zijn gedrag onacceptabel was en dat er contact zou worden opgenomen met [onderwijsinstelling]. [werkgever] heeft vervolgens op 23 maart 2026 telefonisch van [onderwijsinstelling] vernomen dat de opleiding van [werknemer] zou worden gestaakt. [werkgever] heeft daarbij het advies van [onderwijsinstelling] gekregen dit in de beëindigingsbrief te vermelden. Gelet op deze mededeling mocht [werkgever] op grond van artikel 5.6 van de arbeidsovereenkomst de arbeidsovereenkomst beëindigen. [onderwijsinstelling] kon [werknemer] telefonisch niet bereiken en heeft om die reden pas op 26 maart 2026 de opleiding beëindigd.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

4.2.

[werkgever] heeft de arbeidsovereenkomst met [werknemer] onder andere beëindigd, omdat [werkgever] van [onderwijsinstelling] telefonisch had vernomen dat de opleiding van [werknemer] werd beëindigd. In artikel 5.6 van de arbeidsovereenkomst is vermeld dat de arbeidsovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met de opleiding. Op het moment dat de (praktijk)leerovereenkomst wordt beëindigd, eindigt de arbeidsovereenkomst per dezelfde datum. Dat de (praktijk)leerovereenkomst is beëindigd blijkt uit de brief van [onderwijsinstelling] aan [werknemer] verzonden op 26 maart 2026. In die brief wordt medegedeeld dat [werknemer] per direct wordt verwijderd van de instelling. Gelet hierop heeft [werkgever] de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd.

4.3.

Het verzoek tot betaling van een billijke en een gefixeerde schadevergoeding is om die reden niet toewijsbaar.

4.4.

Ook het verzoek tot betaling van een transitievergoeding is niet toewijsbaar. Uit de stukken blijkt namelijk dat [werknemer] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de overgelegde verklaringen van drie collega’s blijkt dat [werknemer] zich eerder beledigend heeft uitgelaten tegenover collega’s door hen uit te schelden en te bedreigen. [werkgever] heeft daarvoor twee officiële waarschuwingen gegeven aan [werknemer]. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling betwist dat hij een officiële waarschuwing heeft gekregen. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. De officiële waarschuwingen zijn mede ondertekend door een derde (de heer [persoon]) die kennelijk aanwezig was bij het verlenen van de officiële waarschuwingen en daarnaast blijkt ook uit de verklaring van een collega (de heer [collega]) dat [werknemer] door [werkgever] is gewaarschuwd vanwege zijn gedrag.

Ondanks meerdere waarschuwingen vindt er op 21 maart 2026 wederom een incident plaats, waarop [werkgever] [werknemer] wegstuurt. In de ontslagbrief van 23 maart 2026 wordt ook verwezen naar het gedrag van [werknemer]. Gelet op de eerdere incidenten, de officiële waarschuwingen (waarin overigens ook is medegedeeld dat bij een volgende overtreding de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd) en het laatste incident op 21 maart 2026, heeft [werknemer] [werkgever] ook een dringende reden voor een ontslag op staande voet gegeven.

4.5.

[werknemer] heeft verder verzocht de eindafrekening met betrekking tot openstaande vakantie-uren en vakantiegeld te verstrekken. Ook dit verzoek is niet toewijsbaar. Als productie 8 bij het verweerschrift heeft [werkgever] een salarisspecificatie overgelegd van de laatste uitbetaling met daarbij onder andere een overzicht van de opgenomen verlofuren. Uit dit overzicht blijkt dat [werknemer] tijdens carnaval verlofuren heeft opgenomen waardoor hij min-uren heeft opgebouwd. Deze min-uren zijn bij de eindafrekening verrekend. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling betwist dat hij vakantie-uren heeft opgenomen. De kantonrechter gaat hieraan voorbij omdat [werknemer], die betwisting niet heeft onderbouwd.

4.6.

De proceskosten komen voor rekening van [werknemer], omdat [werknemer] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.