Arbeidsrecht
Ex-werknemer vordert betaling bonus over 2024 en 2025. Vorderingen worden afgewezen. Uitleg bonusafspraken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10038 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/arbeidsrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2026-10038
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12105157/CV EXPL 26-607 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10038
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ex-werknemer vordert betaling bonus over 2024 en 2025. Vorderingen worden afgewezen. Uitleg bonusafspraken.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12105157 \ CV EXPL 26-607
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. T.H. Blaak van ARAG Rechtsbijstand,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. E.J.L. Mulderink.
1 De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of [werknemer] over 2024 en 2025 aanspraak heeft op een (pro rata) bonus.
De kantonrechter oordeelt dat over 2024 en 2025 geen aanspraak bestaat op een bonus. De vorderingen van [werknemer] worden afgewezen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht onder het kopje ‘de beoordeling’. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten en het geschil schetst. Tot slot volgt de beslissing van de kantonrechter.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 10,
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5,
de e-mail van mr. Mulderink met als bijlage een nadere productie namens [werkgever] ,
de mondelinge behandeling van 23 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van mr. Blaak, zoals hij die tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgelezen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
[werknemer] is van 19 oktober 2020 tot 1 september 2025 in dienst geweest bij [werkgever] in de functie van Procurement Director. Het laatstverdiende salaris bedroeg
€ 13.271,60 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. [werknemer] was lid van het Management Team (MT) van [werkgever] .
In de arbeidsovereenkomst is een bonusregeling overeengekomen (artikel 4.2):
“During the Employment Agreement, the Employee may be eligible to earn an annual bonus award with a target of 20% of the Salary (less wage tax and social security premiums) (an Annual Bonus), based on the achievement of the Employee's performance objectives and targets. The objectives and targets of the Annual Bonus will be agreed upon between the Employee and the Employer separately on a yearly basis.”
Bij [werkgever] worden jaarlijks doelstellingen geformuleerd op basis waarvan beoordeeld wordt of er aanspraak kan worden gemaakt op een bonus. De Raad van Commissarissen formuleert deze doelstellingen, die vervolgens worden gecommuniceerd aan het MT.
Voor het ontstaan van enige aanspraak op een bonus over de jaren 2021 tot en met 2023 en 2025 gold de expliciete voorwaarde van het behalen van een minimale EBITDA.
Over de jaren 2020 tot en met 2022 is geen bonus uitgekeerd vanwege het niet behalen van de minimale EBITDA.
Ook over 2023 is de minimale EBITDA niet behaald, maar heeft [werkgever] besloten om toch een bonusuitkering te doen. [werknemer] heeft daarover op 19 februari 2024 een brief ontvangen: “We hebben mooie resultaten behaald, maar helaas hebben we het budget van € 6.314.000 (Ebitda Blendwell Food Group) niet weten te halen. De werkelijke Ebitda was € 5.071.000. De reden dat we het budget niet hebben gehaald komt om verschillende redenen die niet allemaal direct in onze invloedssfeer lagen. Om deze reden hebben we besloten om over 2023 wel tot uitbetaling van de bonus zullen overgaan.”
De heer [persoon 1] (‘ [persoon 1] ’), CEO van [werkgever] , heeft per e-mail van 8 april 2024 aan een aantal MT- leden de doelstellingen voor de bonus over 2024 gecommuniceerd. Een van de voorwaarden betrof: “Any bonus pay-out will be subject to realization of 85% of budget EBITDA.” De heer [persoon 2] , voorzitter van de board, heeft de bonusdoelstellingen voor 2024 die golden voor [persoon 1] gemaild op 29 maart 2024. In deze doelstellingen staat dezelfde voorwaarde verwoord. Deze e-mails zijn niet gericht aan [werknemer] .
De heer [persoon 3] (‘ [persoon 3] ’), CFO van [werkgever] , heeft per e-mail van 8 juli 2024 een bonusvoorstel over 2024 gedaan aan [werknemer] :
[afbeelding niet beschikbaar][werknemer] reageert per e-mail van 12 juli 2024 met een tegenvoorstel:
“Since 7 months have already passed in this year and it is difficult to impact sales, my proposal is as under:
-
EBITDA is pro rate basis so I understand.
-
Other parameters if fully met should be paid out 100% in my view.
-
In my honest opinion, there should be no sales parameter this year we are already in middle of year and unable to influence. All sales and contracts are already done for this year. We can discuss it for next year.
-
we have infact given it to sales for lidl already. We took some prices which were lower to lock the entire sales volumes. So even without having the sales parameter we have taken it along. No sales has been refused when we were making even 0 margin on commodities with LIDL. Including a sales parameter is hence built in.
-
I would keep the focus on procurement this year and not dilute it to change this year. Since 2025 is an open field we can discuss that in the future.”
[persoon 3] reageert op dezelfde dag als volgt per e-mail aan [werknemer] :
“Thanks for your input. This agreement is purely for this year. New targets to be agreed based on next year's budget.
Now with regards to your proposal, I am fine with the adjustments. One adjustment - 50% of our bonus structure is based on EBITDA and Sales. It is common for all. On the other side I understand your concern, but I want to keep the 50%. So that means that EBITDA will be 50% and procurement result continues to be at 25%.
Fair?”
Uit het verslag van de MT- vergaderingen van 11 en 17 juli 2024 volgt dat het onderwerp ‘alignment bonus 2024’ aan de orde is gekomen. [werknemer] was via een teams verbinding aanwezig bij deze vergaderingen.
Over het jaar 2024 is geen bonus uitgekeerd.
Over het jaar 2025 heeft het MT 89,73% van hun bonus ontvangen. [werknemer] heeft over 2025 geen bonus ontvangen.
[werknemer] heeft via zijn gemachtigde bij brief van 28 augustus 2025 aanspraak gemaakt op betaling van een bonus over 2024 en een pro rata bonus over 2025.
De daaropvolgende correspondentie tussen gemachtigden heeft niet tot een oplossing geleid.
4 Het geschil
[werknemer] vordert - samengevat - dat de kantonrechter [werkgever] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. veroordeelt tot betaling aan [werknemer] van
a. de bonus voor 2024 van € 25.799,99 bruto,
b. de pro rata bonus voor 2025 van € 20.066,66 bruto,
c. de wettelijke verhoging over de bedragen genoemd onder a en b,
d. de wettelijke rente over de bedragen genoemd onder a, b en c, berekend vanaf de dag van opeisbaarheid, althans de dag van dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling,
II. gebiedt om uiterlijk binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis een deugdelijke en correcte bruto/netto specificatie van alle aan [werknemer] verschuldigde betalingen te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag,
III. veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.463,00 inclusief btw,
IV. veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
De bonus over 2024
Standpunten van partijen
[werknemer] maakt aanspraak op betaling van een bonus over 2024. Hij baseert zijn aanspraak op artikel 4.2 van zijn arbeidsovereenkomst en de met [persoon 3] op 12 juli 2024 per e-mail gemaakte afspraken. Uit artikel 4.2 volgt dat de bonusregeling uitsluitend is gekoppeld aan persoonlijke doelstellingen van [werknemer] en dat de doelstellingen jaarlijks tussen partijen moeten worden overeengekomen (zie 3.2). Anders dan in eerdere jaren is het behalen van een minimale EBITDA over 2024 niet overeengekomen. [werknemer] mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de afspraken die per e-mail op 12 juli 2024 zijn gemaakt leidend waren (zie 3.8, 3.9 en 3.10). Op basis van deze afspraken geldt dat, indien de overige parameters zijn behaald, deze voor 100% moeten worden uitgekeerd. Ook volgt hieruit dat de EBITDA 25% van de bonus bedraagt. Nu de EBITDA over 2024 niet is behaald, maar alle overige onderdelen wel, betekent dit dat [werknemer] over 2024 aanspraak heeft op 75% van de bonusregeling zoals genoemd in de arbeidsovereenkomst, ofwel een uitkering van 15% van zijn jaarsalaris, aldus [werknemer] .
[werkgever] betwist dat [werknemer] over 2024 aanspraak heeft op een bonus. Voor het jaar 2024 zijn afspraken gemaakt over de bonus waarbij de EBIDTA niet alleen onderdeel maar ook een expliciete voorwaarde was voor uitkering van de bonus, naast het meewegen van de persoonlijke resultaten. Uit de e-mail van 8 april 2024 (zie 3.7) volgt dat er geen recht op een bonus bestaat bij een EBITDA kleiner dan 85%. Dit minimum is (in de verste verte) niet behaald, zodat niemand – dus ook [werknemer] niet – aanspraak heeft op een bonus over 2024, aldus [werkgever] .
Het oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter oordeelt als volgt.
De aanspraak van [werknemer] op een bonus over 2024 moet worden beoordeeld aan de hand van de tussen partijen gemaakte afspraken daarover. De afspraken liggen vast in artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst – de basis voor een bonusaanspraak van [werknemer] – en de nadere afspraken die concreet over het jaar 2024 overeengekomen zijn. Als de afspraken uitleg behoeven, dan gebeurt dat aan de hand van de welbekende Haviltex- maatstaf. Deze maatstaf houdt in dat de kantonrechter moet kijken naar hoe beide partijen de bepaling mochten begrijpen. Ook is van belang wat partijen in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Niet alleen de letterlijke tekst is relevant, maar ook de andere omstandigheden.
De discussie voor wat betreft de bonus over 2024 spitst zich toe op één vraag: is over 2024 tussen partijen overeengekomen dat een minimale EBITDA behaald moest worden voor het ontstaan van een bonusaanspraak, of niet? Vast staat dat de EBITDA over 2024 niet is behaald, nu beide partijen dat in hun stellingen erkennen. Als voornoemde vraag bevestigend moet worden beantwoord, geldt dat [werknemer] dus geen aanspraak heeft over een bonus over 2024. Is de voorwaarde van een minimale EBITDA over 2024 niet overeengekomen, dan bestaat wel aanspraak op een bonus over 2024. [werkgever] betwist immers niet dat [werknemer] de overige persoonlijke doelstellingen wel heeft behaald.
De kantonrechter is van oordeel dat over 2024 is overeengekomen dat er pas een bonusaanspraak ontstond na het behalen van een minimale EBITDA van 85%. Dit wordt als volgt toegelicht.
In artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst wordt de EBITDA niet genoemd. De ‘objectives en targets’ voor de bonus worden apart overeengekomen volgens artikel 4.2. In 2024 is dat gebeurd in de onderlinge mailwisseling tussen [werknemer] en [persoon 3] van 8 en 12 juli 2024. Op 8 juli 2024 heeft [persoon 3] een bonusvoorstel gestuurd aan [werknemer] . In het betreffende voorstel (zie de afbeelding in 3.8) komt de EBITDA twee keer terug: één keer bovenaan, met vermelding van percentages en bedragen (beginnend bij 85% met een bijbehorend bedrag van € 3.834.00,00) en één keer als onderdeel van de ‘individual target’ (in het voorstel met een percentage van 25% erachter). Uit de e-mailwisseling van 12 juli 2024 blijkt dat [werknemer] ten aanzien van de ‘individual target’ een tegenvoorstel heeft gedaan, waar [persoon 3] op heeft gereageerd. Niet is afgeweken van de EBITDA in de eerste regel, beginnend met een percentage van 85%.
De kantonrechter is van oordeel dat [werknemer] redelijkerwijs moest begrijpen dat dit percentage aan EBITDA de drempel vormde voor het ontstaan van een aanspraak op een bonus over 2024. Daarbij is het volgende redengevend.
In de jaren 2021 tot en met 2023 is het behalen van een minimale EBITDA steeds expliciet als voorwaarde gesteld voor de aanspraak op een bonus. [werknemer] stelt dit zelf in zijn dagvaarding. In 2023 is er een bonus uitgekeerd ondanks het niet behalen van de minimale EBITDA. Uit de als productie 8 bij dagvaarding in het geding gebrachte brief blijkt dat dit een uitzondering is geweest, en blijkt ook dat de bonus zonder deze uitzondering niet aan de orde zou zijn. In de brief wordt namelijk duidelijk aangehaald dat het budget van de EBITDA niet is gehaald (zie 3.6).
Als productie 3 en 4 bij conclusie van antwoord zijn e-mails in het geding gebracht waarin voor wat betreft de bonus over 2024 expliciet de voorwaarde is vermeld dat minimaal 85% van de EBITDA behaald moest worden (zie 3.7). Deze e-mails zijn niet gericht aan [werknemer] . Mevrouw [persoon 4] , HR directeur en mede MT- lid, heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de inhoud van deze e-mails is besproken tijdens de MT-vergaderingen (zie 3.11). [werknemer] heeft daarop erkend dat de betreffende e-mails op de agenda van de MT- vergadering hebben gestaan en dus besproken moeten zijn, maar dat hij zich de details niet kan herinneren. Dat geldt als een onvoldoende gemotiveerde betwisting dat de inhoud van de e-mails – en daarmee dus de voorwaarden voor het ontstaan van een aanspraak op een bonus over 2024 – besproken zijn binnen het MT.
Hoewel in de e-mail van 12 juli 2024 van [persoon 3] aan [werknemer] anders dan in eerdere jaren wel het geval was niet zo expliciet is vermeld dat het genoemde percentage van 85% de drempel weergaf van de EBITDA die minimaal gehaald moest worden om aanspraak te kunnen maken op een bonus, moest [werknemer] dat redelijkerwijs wel zo begrijpen gelet op het feit dat in eerdere jaren dezelfde voorwaarde gold én de betreffende voorwaarde in het MT is besproken voor wat betreft 2024.
Het voorgaande betekent dat [werknemer] over 2024 geen aanspraak heeft op een bonus, nu de als voorwaarde overeengekomen minimale EBITDA niet gehaald is.
De (pro rata) bonus over 2025
Vast staat dat de minimale EBITDA in 2025 wel is gehaald en dat er over dat jaar bonussen zijn uitgekeerd. De discussie over de bonus over het jaar 2025 spitst zich toe op de vraag of overeengekomen is dat er enkel aanspraak op de bonus bestaat indien het dienstverband het volledige bonusjaar heeft bestaan.
Standpunten van partijen
Volgens [werknemer] is een dergelijke voorwaarde niet afgesproken. Het staat niet in artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst of in een ander document over de bonusregeling. Collega [persoon 5] heeft eerder een bonus over 7 maanden gekregen, dus de voorwaarde dat de werknemer het hele jaar in dienst moet zijn geweest wordt in de praktijk ook niet toegepast. Aan alle overeengekomen voorwaarden voor het behalen van een bonus over 2025 is voldaan, zodat hij aanspraak heeft op een pro rata deel (over 7 maanden), aldus [werknemer] .
Volgens [werkgever] vervalt het recht op een bonus bij een tussentijdse beëindiging van het dienstverband op eigen verzoek. Om aanspraak te hebben op een bonus had [werknemer] op 31 december 2025 nog in dienst moeten zijn, aldus [werkgever] . Dit volgt volgens [werkgever] uit artikel 4.2 van de arbeidsovereenkomst, waarin wordt gesproken over ‘during the employment agreement’, waarmee is bedoeld dat de aanspraak op een bonus alleen kan worden ingeroepen op het moment dat een medewerker het volledige jaar in dienst is. Ook met de bewoordingen ‘may be eligible to earn an annual bonus award’ en ‘on a yearly basis’ wordt tot uitdrukking gebracht dat een werknemer het volledige jaar in dienst moet zijn geweest om aanspraak te kunnen maken op een bonus. Dit is in de praktijk ook altijd zo toegepast. Collega [persoon 5] was op 31 december 2023 nog in dienst. Een andere werknemer, de heer [persoon 6] (Supply Chain Manager en lid van het MT) is in 2025 eerder vertrokken en heeft geen bonus ontvangen, aldus [werkgever] .
Het oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Ook hier geldt dat de gemaakte afspraken moeten worden uitgelegd conform de Haviltex- maatstaf, nu partijen over de uitleg van mening verschillen.
De gekozen bewoordingen in artikel 4.2 wijzen in de richting van het standpunt van [werkgever] , nu er gesproken wordt over een ‘annual bonus’ in combinatie met ‘during the employment’, en het overeenkomen van doelstellingen en targets ‘on a yearly basis’. Deze gekozen bewoordingen zijn echter niet doorslaggevend, nu hiermee ook enkel gedoeld kan zijn op de basis voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van de bonus. De gekozen bewoordingen sluiten niet uit dat in geval van een dienstverband dat niet het gehele jaar heeft geduurd, aanspraak bestaat op een pro rata deel van de op jaarbasis gecalculeerde bonus.
In dit geval ziet de kantonrechter in drie omstandigheden aanleiding om te oordelen dat [werknemer] de gekozen bewoordingen redelijkerwijs wel zo heeft moeten opvatten dat een dienstverband gedurende het gehele jaar een voorwaarde voor het recht op de bonus was. In de eerste plaats geldt dat [werknemer] tijdens de mondelinge behandeling in reactie op de vraag van de kantonrechter of het klopt dat er in de jaren 2020-2022 geen bonus is uitgekeerd, heeft geantwoord dat hij in 2020 ‘not eligible’ was omdat hij in dat jaar drie maanden had gewerkt. De advocaat van [werkgever] heeft deze opmerking later tijdens de mondelinge behandeling nog eens uitgelicht, ter onderbouwing van zijn betoog dat pro rata betaling van de bonus niet aan de orde kan zijn. [werknemer] heeft daarop vervolgens niet meer gereageerd. De andere omstandigheid betreft de toepassing van de regeling in de praktijk. Tijdens de mondelinge behandeling is de stelling van [werknemer] dat collega [persoon 5] een bonus had ontvangen hoewel hij niet het hele jaar had gewerkt besproken. [werknemer] gaf aan dat dit opkwam tijdens een gesprek bij de koffiecorner, dat hij de details niet kende, en dat het ‘een verrassing’ voor hem was. Gelet op deze bewoordingen vond [werknemer] een pro rata betaling van de bonus kennelijk bijzonder, hetgeen aansluit bij het standpunt van [werkgever] . Tot slot heeft [werknemer] niet weersproken dat [persoon 6] in 2025 eerder is vertrokken zonder aanspraak op een bonus.
Uit het voorgaande volgt dat [werknemer] ook over 2025 geen aanspraak heeft op een bonus.
Nu de vorderingen tot uitkering van de bonussen over 2024 en 2025 worden afgewezen, behoeven de daaraan verbonden vorderingen (wettelijke verhoging, wettelijke rente, specificatie en buitengerechtelijke incassokosten) geen bespreking.
Proceskosten
[werknemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werkgever] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.732,00 |
(2 punten × € 866,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.876,00 |
6 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.876,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. |
||