Materieel strafrecht

Poging doodslag door met mes in linkerborst te steken. Vordering benadeelde partij 3.000 euro aan immateriële…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
02-196624-25
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10159
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging doodslag door met mes in linkerborst te steken. Vordering benadeelde partij 3.000 euro aan immateriële schade toewijsbaar. Sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf 478 dagen met aftrek van voorarrest. Tbs met dwangverpleging.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-196624-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Democratische Republiek Congo), op [geboortedag] 1984,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC),

[locatie] ,

raadsman mr. G. Vermeulen, advocaat te Tilburg .

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 06 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Mr. de Vroom is verschenen namens benadeelde partij [benadeelde] .

Tevens waren als deskundigen ter zitting aanwezig [psychiater] , [psycholoog] en [reclasseringswerkster] namens de reclassering.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

op 29 juni 2025 [benadeelde] met een mes in de borst heeft gestoken, impliciet primair tenlastegelegd als een poging doodslag dan wel impliciet subsidiair als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [benadeelde] .

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de poging tot doodslag. Het voorwaardelijk opzet op de dood kan niet bewezen worden. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor de bewezenverklaring van de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II staat vast dat verdachte [benadeelde] heeft gestoken met een mes. [benadeelde] werd geraakt in de linkerborst, naast het borstbeen.

Om tot een bewezenverklaring van een poging doodslag te kunnen komen, is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet is komen vast te staan dat verdachte de intentie heeft gehad om het slachtoffer te doden. Vol opzet kan daarom niet worden bewezen. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

Voorwaardelijk opzet bestaat als verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Of het gaat om voorwaardelijk opzet, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans tijdens de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De camerabeelden waarop het incident is vastgelegd, laten, kort gezegd, zien dat een medewerker en een beveiliger van [organisatie] voor de deur van [benadeelde] staan. Verdachte is net daarvoor uit zijn kamer gekomen. Verdachte beweegt zich met versnelde pas naar [benadeelde] en maakt met kracht een stekende beweging met zijn rechterarm naar de linkerborst van [benadeelde] . Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij daarbij een mes heeft gebruikt. De medische informatie bevestigt daarnaast dat [benadeelde] penetrerend letsel in de linkerborst, naast het borstbeen, heeft opgelopen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit handelen van verdachte naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven geroepen.. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de linkerborst behalve het hart ook grote slagaders en aders lopen. Door daar te steken heeft verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat hij die (slag)aders of het hart zou raken, met dodelijk letsel tot gevolg. Door het met kracht in de linkerborst te steken, heeft verdachte deze kans naar haar uiterlijke verschijningsvorm ook aanvaard.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Zij acht de ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 29 juni 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde] van het leven te beroven, met een mes in de linkerborst van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van 4 maart 2026, opgesteld door [psychiater] en [psycholoog] .

De deskundigen hebben – kort gezegd – gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis, te weten schizofrenie. Daarnaast zijn er volgens de psychiater aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking en spreekt ook de psycholoog daarover, maar wil zij die diagnose uitstellen. Er zijn onvoldoende gegevens om te komen tot een daadwerkelijke diagnose stoornis in cannabisgebruik, maar er is in elk geval sprake van cannabisgebruik. De deskundigen hebben in de rapportages geconcludeerd dat de door hen vastgestelde stoornis ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit aanwezig was. Deze stoornis heeft verdachte zijn keuzevrijheid en gedragingen beïnvloed. Zijn agressieve reactie vloeide rechtstreeks voort uit zijn psychotische toestand en de daarmee gepaard gaande wanen. De deskundigen adviseren om het feit ten minste sterk verminderd aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemde rapportages wat betreft de vaststelling van de psychische stoornis over en maakt deze tot de hare. Door zijn stoornis was verdachte sterk beperkt in de keuzevrijheid om zijn gedrag te bepalen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd mede als gevolg van zijn ernstige psychische stoornis zodat het feit hem in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank concludeert dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging).

De officier van justitie heeft bij de bepaling van de lengte van de gevangenisstraf rekening gehouden met de door psychiater en psycholoog aangenomen ten minste sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis is niet passend. De maatregel van tbs met dwangverpleging is disproportioneel. De verdediging kan zich wel vinden in oplegging van tbs met voorwaarden, zoals deze voorwaarden in het maatregelenrapport van 3 juni 2026 door de reclassering zijn geformuleerd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door [benadeelde] met een mes in de borst te steken. Door zijn handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] . Naast een blijvend litteken is er geen verdere blijvende lichamelijke schade. Uit de vordering benadeelde partij volgt dat het incident psychisch een grote impact heeft gehad op [benadeelde] . Uit het bij de vordering gevoegde rapport van Fivoor blijkt dat [benadeelde] regelmatig nachtmerries heeft, een verstoord slaapritme heeft en gevoelens van angst, onveiligheid en verhoogde alertheid ervaart. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.

Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de

ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit zoals hiervoor omschreven, met de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en met de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting.

Zoals hiervoor onder 5.2 overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat er bij verdachte sprake was van schizofrenie. Zij acht verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Zowel de psychiater en psycholoog hebben in hun rapportages van 4 maart 2026 gesteld dat er zonder behandeling van verdachte sprake is van een hoog recidiverisico op gewelddadig gedrag. Zij hebben geadviseerd tot tbs met voorwaarden in deze rapportages. Volgens de deskundigen is het noodzakelijk om verdachte een intensieve en vooral ook langdurige behandeling te bieden binnen een klinische en forensische setting. Het is verder van belang dat betrokkene langdurig een antipsychoticum in adequate dosering blijft gebruiken en dat hier voldoende toezicht op wordt gehouden. De deskundigen hebben de verwachting dat verdachte zich in een gestructureerde omgeving en bij een directieve benadering zal voegen naar de voorwaarden. Gelet op dit advies van de deskundigen is de reclassering gevraagd een maatregelenrapport op te maken.

In het maatregelenrapport van 3 juni 2026 en het eerdere reclasseringsadvies van 30 april 2026 heeft de reclassering negatief geadviseerd ten aanzien van een tbs met voorwaarden. De reclassering is van mening dat betrokkene geen ziekte-inzicht heeft. In de gesprekken met de reclassering geeft hij aan dat hij geen therapie, behandeling of medicatie nodig heeft. Hij vindt zichzelf niet psychotisch. De reclassering wijst erop dat verdachte eerder het gebruik van zijn medicatie gestaakt na opnames in klinieken en medicatiebetrouwbaarheid is juist belangrijk binnen een tbs met voorwaarden. Medicatie-inname kan daarbij als voorwaarde worden opgelegd, maar de naleving daarvan is afhankelijk van de medewerking van verdachte. Ook na een klinische opname zal hij medicatie moeten blijven gebruiken.. De reclassering schat in dat verdachte niet het vermogen heeft om te begrijpen wat er van hem verwacht wordt, dat zijn (uiteindelijke) bereidheid tot medicatie-inname laag is en dat er een gebrek is aan intrinsieke motivatie om mee te werken aan de gestelde voorwaarden.

Ter zitting is verdachte uitgebreid bevraagd over het medicatiegebruik. Verdachte gaf in dat gesprek aan dat hij momenteel medicatie gebruikt, dat hij deze medicatie nodig heeft om rustig te blijven en daarom gemotiveerd is om zijn medicijnen te blijven gebruiken. Bij nader doorvragen bleek echter dat hij niet inziet dat hij de medicatie nodig heeft vanwege zijn psychische stoornis en dat zijn toestand bij het stoppen met de medicatie kan verslechteren.

Zowel de psychiater als de psycholoog hebben ter zitting aangegeven dat zij bij nader inzien twijfels hebben over de haalbaarheid van tbs met voorwaarden. Zij baseren dit op het feit dat verdachte ter zitting nog steeds geen enkele blijk geeft van enig ziekte-inzicht.

Reclasseringswerkster [reclasseringswerkster] is ter zitting bij het eerdere advies gebleven. Het doel van een tbs met voorwaarden is resocialiseren en daar is een bepaalde houding voor nodig. Zij heeft benadrukt dat zij een afbreukrisico ziet als verdachte binnen een tbs met voorwaarden met zijn medicatie zou stoppen. Op dat moment zou verdachte alsnog in een andere kliniek geplaatst moeten worden, waarschijnlijk in een kader van tbs met dwangverpleging. Het risico is dat hij dan tussentijds in een kliniek moet worden geplaatst waar hij niet afdoende geholpen wordt en weer onderaan de wachtlijst komt voor een plaatsing binnen een tbs-kliniek voor tbs met dwangverpleging.

Tbs met voorwaarden of tbs met dwangverpleging?

Aan de rechtbank ligt in de vraag voor of wordt voldaan aan de criteria voor oplegging van een tbs-maatregel. Als dat het geval is, dan speelt de vraag of tbs met voorwaarden dan wel tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd.

Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van het feit en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is. De rechtbank gaat uit van de conclusies van de deskundigen over de bij verdachte aanwezige stoornis, toerekenbaarheid en het hoge recidiverisico op geweldsdelicten.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van ernstige problematiek, waarvoor een langdurige behandeling nodig is. Met name de psycholoog beschrijft dat zij verwacht dat verdachte langdurig behandeld moet worden en dat, gelet op de psychopathologie van verdachte, verwacht wordt dat externe begeleiding op veel levensgebieden langdurig noodzakelijk zal blijven. Alle deskundigen zijn het met elkaar eens dat de voortduring van medicatiegebruik van groot belang is om de psychotische symptomen in te dammen dan wel te verlichten. De rechtbank neemt deze conclusies over.

Het grote verschil tussen tbs met voorwaarden en tbs met dwangverpleging is dat medicatie-inname bij tbs met voorwaarden wel als voorwaarde kan worden opgelegd, maar daarmee niet kan worden afgedwongen. Gelet op de benodigde lange duur van begeleiding, het belang van blijvende medicatie-inname, de chronische problematiek, waaronder het gebrek aan ziekte-inzicht en het gestelde hoge recidivegevaar op geweldsdelicten, ziet de rechtbank geen ruimte voor een tbs met voorwaarden. De rechtbank acht tbs met dwangverpleging noodzakelijk.

De tbs met dwangverpleging wordt opgelegd voor poging tot doodslag. Dit misdrijf is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de tbs met dwangverpleging kan daarom vier jaar te boven gaan.

Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 478 dagen met aftrek van voorarrest passend en geboden. Dit betekent dat verdachte na de uitspraak op 20 oktober 2026 geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer hoeft uit te zitten.

7 Het beslag

7.1.

De verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen voorwerp wordt verbeurd verklaard. Het voorwerp behoort aan verdachte toe en is hiervoor vatbaar. Het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat het bewezen feit met behulp van dit voorwerp is begaan.

8 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 3.000,= aan immateriële schade voor onderhavig feit.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen is verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Uit het bewezenverklaarde strafbare feit volgt dat benadeelde door toedoen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hierdoor heeft benadeelde recht op immateriële schadevergoeding. Daarnaast heeft benadeelde ook gemotiveerd geestelijk letsel te hebben als gevolg van het strafbare feit. Gelet op het lichamelijk letsel, het blijvende litteken en de psychische gevolgen acht de rechtbank de door de benadeelde gevorderde schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 3.000,= aan immateriële schade.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 29 juni 2025.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 478 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 3.000,=, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 3.000,= te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart verbeurd het/de volgende voorwerp:

1. STK Mes

(Omschrijving: BZAN2539).

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Koek, voorzitter, mr. R. Combee en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 oktober 2026.

De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 29 juni 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde] van het leven te beroven, althans om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp in de (richting van de) (linker)borst, in elk geval het lichaam van die [benadeelde] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )