Materieel strafrecht

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak poging tot doodslag en zware mishandeling. Bewezenverklaring poging tot zware…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummers
02-262940-25, 02-231017-23 (tul)
Procedure
Op tegenspraak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10799
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Vrijspraak poging tot doodslag en zware mishandeling. Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging. Jeugddetentie gelijk aan voorarrest, voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf. TUL toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02.262940.25

Parketnummer TUL: 02.231017.23

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 november 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2008,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

raadsvrouw mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen.

1 Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in ’t Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: op 30 augustus 2025 in Hulst primair heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te doden door hem (met kracht) tegen zijn gezicht en/of zijn hoofd te schoppen, subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling;
Feit 2: op 30 augustus 2025 in Hulst samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, door [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) met kracht in zijn gezicht te schoppen. Op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 1] na de schop direct buiten bewustzijn raakte. Gezien de plek waar [slachtoffer 1] is geraakt en de kracht van de schop is de officier van justitie van mening dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn handelen [slachtoffer 1] zou doden. Dat verdachte zonder schoen en slechts eenmaal heeft geschopt, doet daar niet aan af. Dat verdachte werd uitgedaagd wordt niet ondersteund door de beelden.

Ook acht de officier van justitie feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft een grote bijdrage geleverd aan het geweld dat hij samen met zijn mededaders heeft gepleegd en waarvan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) slachtoffer zijn geworden.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging meent dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit kan komen. Er is geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op het doden van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft eenmaal en zonder schoen richting het hoofd van [slachtoffer 1] geschopt, maar de precieze richting en kracht is niet geheel te duiden. Voorts kan niet worden geconcludeerd dat deze schop van een zodanige kracht was dat sprake is van een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans op de dood. Daarnaast volgt uit de medische stukken niet dat het letsel van [slachtoffer 1] potentieel dodelijk was.

Ook het subsidiair ten laste gelegde feit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. Niet is voldaan aan de kwalificatie van zwaar lichamelijk letsel. Bij [slachtoffer 1] is geen sprake van complexe breuken en ook is nader medisch ingrijpen niet noodzakelijk geweest. De verdediging verzoekt dan ook om verdachte van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten vrij te spreken.

Voor wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde feit en feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Uit de wettige bewijsmiddelen in het dossier leidt de rechtbank af dat er op 30 augustus 2025 in Hulst een geweldsincident tussen twee groepen jonge mannen heeft plaatsgevonden. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden volgt dat de personen uit de twee groepen enkele minuten met elkaar aan het praten waren, waarna er over en weer werd geduwd en verdachte op grond viel. Verdachte is vervolgens opgestaan en heeft samen met zijn mededaders [slachtoffer 2] geslagen en geschopt. Op datzelfde moment werd [slachtoffer 1] door een mededader op zijn hoofd en zijn gezicht geslagen als gevolg waarvan hij op de grond viel. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden volgt dat verdachte vervolgens naar [slachtoffer 1] is gerend en hem met ongeschoeide voet met kracht tegen zijn gezicht heeft geschopt, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Na die schop bleef [slachtoffer 1] bewegingsloos op de grond liggen. Verdachte heeft deze gedragingen niet ontkend. Ook staat niet ter discussie dat verdachte samen met zijn mededaders aan [slachtoffer 1] letsel heeft toegebracht. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 1] onder meer een gebroken kaak, een gebroken neus en tandletsel - te weten beschadigde, afgebroken en missende tanden - heeft opgelopen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] letsel heeft toegebracht door hem eenmaal met kracht tegen het gezicht te schoppen, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag (primair), het medeplegen van zware mishandeling (subsidiair) of een poging tot zware mishandeling (meer subsidiair).

Is er sprake van een poging tot doodslag?

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier om te kunnen vaststellen dat verdachte vol opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Ook acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. Hiervan is kort gezegd sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig is dat dit gevolg - de dood - zal intreden en verdachte welbewust deze kans heeft aanvaard. Of dit zo is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat verdachte eenmaal met ongeschoeide voet met kracht tegen het gezicht van [slachtoffer 1] heeft geschopt, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat door tegen een gezicht te schoppen een aanmerkelijke kans op de dood bestaat. Factoren die in dit verband een rol spelen zijn de wijze waarop en de mate van kracht waarmee is geschopt. Dat verdachte met kracht tegen het gezicht van [slachtoffer 1] heeft geschopt, volgt uit de beschrijving van de camerabeelden en ook uit de omstandigheid dat [slachtoffer 1] direct na de schop bewegingsloos op de grond bleef liggen. De rechtbank kan op basis van het dossier echter niet vaststellen dat de schop van verdachte tegen het gezicht van [slachtoffer 1] (potentieel) dodelijk is geweest. In de medische informatie wordt dit niet omschreven. Ook het letsel zelf geeft onvoldoende aanknopingspunten om die conclusie te kunnen trekken. Het letsel bevindt zich aan de voorzijde van het hoofd en bijvoorbeeld niet bij de slaap. De rechtbank kent ten slotte gewicht toe aan het feit dat verdachte heeft geschopt met een ongeschoeide voet. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrijspreken.

Is er sprake van (het medeplegen van) zware mishandeling?

Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling moet vast komen te staan dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast moet er daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel door het handelen van verdachte zijn ontstaan. Voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kan worden gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel. Zoals overwogen, heeft [slachtoffer 1] door het handelen van verdachte en zijn mededaders onder meer een gebroken kaak, een gebroken neus en tandletsel - te weten beschadigde, afgebroken en missende tanden - opgelopen. Uit het dossier volgt dat nader medisch ingrijpen, zoals een operatie, niet noodzakelijk was. Er was geen sprake van complexe breuken en ook is de hersteltermijn relatief beperkt gebleven. Deze omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Om die reden zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde feit.

Is er sprake van een poging tot zware mishandeling?

De gedraging van verdachte levert naar het oordeel van de rechtbank wel een poging tot zware mishandeling op. Voor een poging tot zware mishandeling is vereist dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet om de ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het eenmaal met kracht tegen het gezicht schoppen levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer ernstig letsel oploopt, bijvoorbeeld breuken in het aangezicht waarvoor in veelvoorkomende gevallen medisch ingrijpen noodzakelijk is. Ook voor verdachte moet dit duidelijk zijn geweest. Dat bij [slachtoffer 1] nader medisch ingrijpen niet noodzakelijk was, maakt dit niet anders. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] zou veroorzaken, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.

4.4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 meer subsidiair

op 30 augustus 2025 te Hulst , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft geschopt, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

op 30 augustus 2025 te Hulst , openlijk, te weten, aan de Korte Nieuwstraat en/of de Steenstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door

- meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- te schoppen en/of te trappen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 160 uren en een jeugddetentie voor de duur van 137 dagen, met aftrek van voorarrest (die hij op 17 dagen berekent), waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Bij zijn strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Als strafverzwarende factoren heeft hij meegewogen dat verdachte nog in een proeftijd liep en dat sprake is van recidive.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het tijdsverloop, de impact van het voorarrest, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de jeugdreclassering en het positieve verloop van de schorsingsperiode. De verdediging meent dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en daarnaast een (deels voorwaardelijke) werkstraf passend is, waarbij de raadsvrouw verzoekt om de strafeis van de officier van justitie te matigen zodat verdachte niet wordt overvraagd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer 1] met kracht tegen het gezicht te schoppen, terwijl hij op de grond lag. Als gevolg daarvan heeft [slachtoffer 1] onder meer een gebroken kaak, een gebroken neus en tandletsel opgelopen. Daarnaast heeft verdachte zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Zij zijn door de verdachten (met kracht) geslagen en/of geschopt tegen het gezicht, het hoofd en/of het lichaam. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Voor de slachtoffers is het een bedreigende en beangstigende situatie geweest die bovendien, zoals volgt uit de toelichtingen bij de verzoeken tot schadevergoeding, nog steeds voor gevoelens van angst en onveiligheid bij hen zorgt. Het handelen van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor de veiligheid van de slachtoffers, maar ook voor het gevoel van veiligheid in de maatschappij. Het geweldsincident heeft zich buiten op straat afgespeeld. Andere mensen zijn niets vermoedend geconfronteerd met geweld in wat voor hun een veilige omgeving moet zijn. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat sprake is van eendaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 10 september 2026, waaruit volgt dat hij tweemaal eerder is veroordeeld voor openlijke geweldpleging. Dit betekent dat sprake is van recidive. Daarnaast blijkt uit het strafblad dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd liep naar aanleiding van de uitspraak van de kinderrechter van 17 mei 2024. De rechtbank acht deze omstandigheden strafverzwarend.

Ook slaat de rechtbank acht op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 oktober 2026 dat over verdachte is opgemaakt en de toelichting en het advies van de vertegenwoordigster van de Raad tijdens de zitting. De Raad handhaaft het advies zoals weergegeven in haar rapport. Daaruit volgt dat de schorsingsperiode positief is verlopen. Verdachte heeft goed meegewerkt aan de begeleiding door de jeugdreclassering en het traject bij Stichting OpenDoor. Hierbij is aandacht besteed aan het vergroten van de vaardigheden van verdachte, bijvoorbeeld bij het omgaan met agressie en met voor hem moeilijke situaties. De Raad meent dat de inzet van de jeugdreclassering niet langer geïndiceerd is, omdat de door de jeugdreclasseerder en Stichting OpenDoor gestelde doelen zijn behaald. De Raad adviseert daarom om aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen onder de algemene voorwaarde dat hij tijdens zijn proeftijd geen strafbare feiten pleegt. De Raad acht een proeftijd van 1 jaar passend, mede gelet op de duur en het positieve verloop van de schorsingsperiode.

De bij verdachte betrokken jeugdreclasseerder heeft ook toegelicht dat de schorsingsperiode positief is verlopen. Verdachte is goed in contact geweest, is zijn afspraken nagekomen en heeft goed meegewerkt aan het traject bij Stichting OpenDoor. De jeugdreclasseerder heeft er vertrouwen in dat verdachte voortaan de voor hem moeilijke situaties anders zal benaderen. Ook zij meent dat de inzet van jeugdreclassering niet langer nodig is. De doelen zijn behaald.

Oplegging van de straf

Bij de strafoplegging neemt de rechtbank de hiervoor genoemde adviezen en omstandigheden in aanmerking. Ook let de rechtbank op de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor minderjarigen. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Alles afwegend zal zij de duur hiervan vaststellen op de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank acht een terugkeer naar de jeugdgevangenis niet in zijn belang. Om te voorkomen dat verdachte zich (opnieuw) met het plegen van strafbare feiten zal bezig houden, zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, maar zonder toezicht door de jeugdreclassering. Uit het Raadsrapport en de toelichting van de vertegenwoordigster van de Raad en de jeugdreclasseerder blijkt, zoals hierboven al is vermeld, dat de schorsingsperiode positief is verlopen. Verdachte heeft goed meegewerkt aan de begeleiding door de jeugdreclassering en het traject bij Stichting OpenDoor. Hij heeft zijn kansen met beide handen aangegrepen en zijn vaardigheden vergroot als het gaat om het omgaan met agressie en met voor hem moeilijke situaties. Gebleken is dat de door de jeugdreclasseerder en Stichting OpenDoor gestelde doelen zijn behaald en dat het traject bij Stichting OpenDoor inmiddels positief is afgerond. Met de Raad en de jeugdreclasseerder is de rechtbank daarom van oordeel dat de inzet van de jeugdreclassering niet langer noodzakelijk is. Om verder recht te doen aan de ernst van de feiten, ziet de rechtbank reden om verdachte ook een werkstraf op te leggen. Bij de bepaling van de hoogte hiervan betrekt de rechtbank in het nadeel van verdachte dat verdachte de feiten tijdens zijn proeftijd heeft gepleegd en dat sprake is van recidive. Aan de andere kant houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte een zinvolle vrijetijds- en dagbesteding heeft. Hij werkt fulltime en de rechtbank wil voorkomen dat verdachte wordt overvraagd. De rechtbank neemt verder in overweging dat de officier van justitie bij zijn strafeis onder feit 1 is uitgegaan van een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Omdat de rechtbank tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is gekomen, legt zij een lagere voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf op dan is gevorderd.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat 60 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest welke de rechtbank op 17 dagen begroot, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een werkstraf van 60 uren passend en geboden is. De rechtbank acht een proeftijd van 2 jaren passend, omdat verdachte tweemaal eerder voor openlijke geweldpleging strafrechtelijk is veroordeeld en ook om de kans op recidive zo ver als mogelijk in te perken. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank de algemene voorwaarde verbinden dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Voorlopige hechtenis

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 en 2)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft, door tussenkomst van mr. A.J. Nieuwenhuijse, advocaat te Terneuzen, een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 14.361,05. Dit bedrag bestaat uit € 3.361,05 aan materiële schade en € 11.000,- aan immateriële schade. Daarnaast wordt de wettelijke rente gevorderd en wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Verder wordt verzocht om uit te gaan van hoofdelijke aansprakelijkheid.

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de gevorderde materiële schade voor toewijzing vatbaar met uitzondering van de schadepost “inkomstenverlies”. Hij vindt dat die schadepost onvoldoende is onderbouwd. De gevorderde immateriële schade acht hij in zijn geheel voor toewijzing vatbaar, subsidiair een hoog gedeelte daarvan. Hij vordert om de toe te wijzen schadevergoeding hoofdelijk op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de verdediging om het gevorderde schadebedrag te matigen. Voor wat betreft de materiële schade refereert de verdediging zich ten aanzien van de reiskosten en de niet-vergoede medische kosten aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de kosten voor de periodieke controle op 28 november 2025 wegens het ontbreken van het causale verband en de factuur van € 675,- voor [bedrijf 1] , omdat dit bedrag aan de benadeelde is teruggestort. Voor de schadeposten “inkomstenverlies” en “beschadigd horloge” verzoekt de verdediging om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Tot slot wordt verzocht om aansluiting te zoeken bij de bedragen aan schadevergoeding die zijn toegewezen in de zaken tegen de mededaders.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde en feit 2 heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig tegenover [slachtoffer 1] heeft gehandeld en zijn schade moet vergoeden.

Materiële schade

Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 3.361,05 aan materiële schade gevorderd, bestaande uit € 132,- aan reiskosten, € 2.400,67 aan niet-vergoede medische kosten,

€ 468,38 aan inkomstenverlies en € 360,- aan kosten voor een beschadigd horloge.

- Reiskosten

De rechtbank zal de reiskosten van € 132,- toewijzen. Deze schadepost is niet betwist, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en staat in een voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen.

- Niet-vergoede medische kosten

Deze schadepost bestaat uit € 385,- aan eigen risico, € 1.340,67 aan niet-vergoede tandartskosten volgens het CZ-overzicht en € 675,- aan niet-vergoede tandartskosten volgens de factuur van [bedrijf 2] .

De rechtbank zal de gevorderde schadebedragen van € 385,- aan eigen risico en

€ 1.340,67 aan niet-vergoede tandartskosten toewijzen, met uitzondering van de kosten voor de periodieke controle door de tandarts op 28 november 2025. De eerstgenoemde schadeposten zijn door de verdediging niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en staan in een voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen. Op basis van het CZ-overzicht begroot de rechtbank de kosten van de periodieke controle op 28 november 2025 op een bedrag van € 45,84 (€ 17,01 + € 28,83). Deze post is betwist en de rechtbank is van oordeel dat de causaliteit tussen de periodieke controle en het bewezenverklaarde onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering zal de rechtbank dan ook afwijzen. Ook zal de rechtbank het gevorderde schadebedrag van € 675,- aan niet-vergoede tandartskosten afwijzen. De rechtbank constateert op grond van het dossier namelijk dat dit bedrag aan de benadeelde partij zou zijn teruggestort. Gelet op voorgaande acht de rechtbank de vordering voor een bedrag van € 1.679,83 toewijsbaar en zal zij het overige deel van de vordering afwijzen.

- Inkomstenverlies

De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. Onduidelijk is gebleven wat het salaris van de benadeelde partij in augustus 2025 was. Namens de benadeelde is een loonstrook van januari 2026 ingediend. Het had op de weg van de benadeelde partij gelegen om een loonstrook van de periode rondom de laste gelegde feiten of soortgelijk bewijsstuk in te dienen. Deze schadepost wordt betwist en is nu onduidelijk. De civiele procedure binnen het strafproces leent zich niet voor nader onderzoek. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- Beschadigd horloge

Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij op 5 september 2025 bij de politie heeft gemeld dat zijn horloge bij het incident beschadigd is geraakt. Op grond van het dossier acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij het horloge zoals genoemd in de vordering tijdens het incident droeg en dat het daarbij beschadigd is geraakt. Er is daarmee sprake van een causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de schade aan het horloge. De schade is met de offerte van de [bedrijf 3] voldoende onderbouwd en de hoogte van het gevorderde schadebedrag komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank acht daarom het gevorderde bedrag van € 360,- toewijsbaar.

Immateriële schade

Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 11.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank acht de door het slachtoffer geleden immateriële schade toewijsbaar voor een bedrag van € 4.000,-, gelet op de onderbouwing van de vordering en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank is van oordeel dat deze schade in een voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen staat. Uit de toelichting op de vordering volgt namelijk dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen een gebroken kaak, een gebroken neus en tandletsel heeft opgelopen, dat hij paniekaanvallen en slaapproblemen had en dat hij angstig en alert is (geweest). De rechtbank acht het overige deel van deze schadepost onvoldoende onderbouwd en is van oordeel dat een verdere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van

€ 2.558,90. Dit bedrag bestaat uit € 558,90 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Daarnaast wordt de wettelijke rente gevorderd en wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Verder wordt verzocht om uit te gaan van hoofdelijke aansprakelijkheid.

7.4.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de gevorderde materiële en immateriële schade voor toewijzing vatbaar. Hij vordert om de toe te wijzen schadevergoeding hoofdelijk op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.5.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de gevorderde immateriële schadevergoeding aan de hoge kant is en verzoekt om een schadebedrag van € 750,- toe te wijzen, gezien het relatief lichte letsel. Voor wat betreft de materiële schade meent de verdediging dat de schadepost “niet-vergoede tandartskosten” voor toewijzing vatbaar is. Ten aanzien van de schadepost “ketting” verzoekt de verdediging om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het causale verband niet eenvoudig vast te stellen is. Tot slot wordt verzocht om aansluiting te zoeken bij de bedragen aan schadevergoeding die zijn toegewezen in de zaken tegen de mededaders.

7.6.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte feit 2 heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig tegenover [slachtoffer 2] heeft gehandeld en zijn schade moet vergoeden.

Materiële schade

Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 558,90 aan materiële schade gevorderd, bestaande uit € 279,90 aan niet-vergoede tandartskosten en € 279,- voor een ketting.

- Niet-vergoede tandartskosten

Deze schadepost bestaat uit € 203,31 en € 47,76 voor de tandartsafspraken op 1 september en 7 oktober 2025 en € 28,83 voor de afspraak bij de orthodontist op 1 september 2025.

De rechtbank zal de niet-vergoede tandartskosten voor het bedrag van € 279,90 toewijzen, omdat deze schadepost door de verdediging niet is betwist. De schade is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende onderbouwd en staat in een voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen.

- Ketting

Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij op 22 oktober 2025 bij de politie heeft gemeld dat zijn ketting bij het incident kwijt is geraakt. Op grond van het dossier is het voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de ketting zoals genoemd in de vordering droeg en dat die kwijt is geraakt tijdens het incident. Uit het dossier blijkt namelijk van een rode verkleuring in de hals van de benadeelde partij die past bij de situatie dat de ketting tijdens het incident van zijn nek is getrokken. Het causale verband tussen het bewezenverklaarde en het kwijtraken van de ketting is daarmee gegeven. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze schade middels de schatting van de [bedrijf 3] voldoende is onderbouwd. De hoogte van het gevorderde schadebedrag komt de rechtbank ook billijk voor. De rechtbank acht daarom het gevorderde bedrag van € 279,- toewijsbaar.

Immateriële schade

Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank acht de door het slachtoffer geleden immateriële schade toewijsbaar voor een bedrag van € 750,-, gelet op de onderbouwing van de vordering en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank is van oordeel dat deze schade in een voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen staat. Uit de toelichting op de vordering blijkt namelijk dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen een gezwollen voorhoofd en rode verkleuring op zijn hoofd en hals had, dat er stukjes van zijn voortanden waren afgebroken en dat hij tot op heden nachtmerries en gevoelens van angst en onveiligheid heeft. De rechtbank acht het overige deel van deze schadepost onvoldoende onderbouwd en is van oordeel dat een verdere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partijen [slachtoffer 1] (feit 1 en 2) en [slachtoffer 2] (feit 2)

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel voor beide benadeelden hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

Wettelijke rente

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 30 augustus 2025.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal geen vervangende gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen: 0). De rechtbank houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hierover zijn gemaakt voor jeugdzaken. Zij ziet geen aanleiding om daarvan in deze zaak af te wijken.

Kostenveroordeling

Ook zal de rechtbank verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt (omdat er geen proceskosten zijn gevorderd tot op heden begroot op nihil) en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 40 uren die aan verdachte is opgelegd bij uitspraak van de kinderrechter van 17 mei 2024 onder parketnummer 02.231017.23 geheel ten uitvoer zal worden gelegd. De verdediging refereert zich voor wat betreft de vordering tot tenuitvoerlegging aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde onder feit 1;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Eendaadse samenloop van:

feit 1 meer subsidiair: poging tot zware mishandeling en

feit 2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 (zestig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 60 (zestig) dagen, waarvan 43 (drieënveertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

- stelt in dat verband vast dat verdachte het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie reeds heeft uitgezeten;

Benadeelde partijen

T.a.v. feit 1 en 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 6.171,83, waarvan € 2.171,83 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering voor wat betreft de materiële schade onder de post niet-vergoede medische kosten ter hoogte van € 720,84 af;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] , € 6.171,83 te betalen, waarvan € 2.171,83 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

T.a.v. feit 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.308,90, waarvan € 558,90 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 30 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] , € 1.308,90 te betalen, waarvan € 558,90 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij uitspraak van de kinderrechter van 17 mei 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02.231017.23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf van 40 (veertig) uren en dat indien deze niet naar behoren wordt verricht 20 (twintig) dagen vervangende jeugddetentie zal worden toegepast;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter tevens kinderrechter, mr. E.B. Prenger en mr. H.M. Vos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 november 2026.

Mr. Prenger en mr. Vos zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.