Strafrecht overig
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Op tegenspraak · Strafrecht overig
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 maart 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:1823 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 27 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2018-1823
Zaakgegevens
Op 27 maart 2018 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 27 maart 2018
- Datum publicatie
- 27 maart 2018
- Zaaknummer
- 02-820367-15
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2018:1823
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
ontnemingsuitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02/820367-15
beslissing van de rechtbank d.d. 27 maart 2018
in de ontnemingszaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboortedag] ,
wonende te [adres] ,
raadsman mr. B.P.J. Heinrici, advocaat te Rotterdam.
1 De procedure
Betrokkene is op 27 maart 2018 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor – onder meer – overtreding van het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, tot de in die uitspraak vermelde straf.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2018, waarbij de officier van justitie mr. R.C.P. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft behaald ter hoogte van € 59.687,00. Dit bedrag is gebaseerd op de kasopstelling, zoals vermeld in het ontnemingsrapport van de politie.
3 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de ontnemingsvordering integraal af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraken in de hoofdzaak.
Hij heeft subsidiair aangevoerd dat de vordering grotendeels moet worden afgewezen, nu ten onrechte in de berekening van de politie de in beslag genomen contante geldbedragen ter grootte van in totaal € 47.430,00 zijn opgenomen. Dit bedrag behoort immers in het geheel in eigendom toe aan de moeder van betrokkene, [naam 1] . Hij heeft daartoe een kopie van een door haar ingediend klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering overgelegd. Daarnaast stelt de raadsman dat betrokkene, omdat hij geen rol heeft gespeeld bij de aangetroffen hennepkwekerij in een pand aan de [straatnaam] te Rotterdam, ook niet de uitgaven van € 4.442,50 ter zake van deze kwekerij heeft gehad.
Dit betekent dat op het bedrag van € 59.686,62 de bedragen van € 47.430,00 en € 4.442,50 in mindering moeten worden gebracht, zodat een bedrag van € 7.814,12 resteert.
4 Het oordeel van de rechtbank
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uitgangspunten:
De rechtbank stelt op basis van het dossier, het vonnis van 27 maart 2018 en de daaraan ontleende bewijsmiddelen vast dat betrokkene met de door hem gepleegde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Met betrekking tot de omvang daarvan overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank gaat uit, evenals de officier van justitie en de raadsman, van de kasopstelling die in de ontnemingsrapportage is vermeld, te weten:
Beginsaldo € 0,00
+ Kasopnames € 20.485,00
- Eindsaldo contant € 47.430,00
---------------
Beschikbaar voor uitgaven € 26.945,00
- Contante stortingen € 16.076,07
- Contante uitgaven hennepkwekerij € 4.442,50
- Contante uitgaven bonnen € 5.494,92
- Contante uitgaven voeding € 6.728,13
---------------
Verschil € 59.686,62
Verweren van de raadsman:
De rechtbank overweegt ten aanzien van de posten die door de raadsman zijn betwist het navolgende.
Eindsaldo contant:
In de woning gelegen aan de [adres 1] te Rilland, welke op naam stond van de vriendin van betrokkene [naam 2] en waar betrokkene regelmatig verbleef, en op het GBA-adres van betrokkene, [adres 2] te Rotterdam, zijnde de woning van zijn moeder [naam 1] , zijn in totaal voor een bedrag van € 47.430,00 aan bankbiljetten aangetroffen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat alle aangetroffen geldbedragen aan [naam 1] toebehoren.
[naam 1] heeft verklaard dat zij een WIA-uitkering van € 1.200,00 ontvangt (na een bedrijfsongeval in 2008), schulden heeft, buiten de aangetroffen gelden geen spaargeld bezit en moeite heeft om iedere maand rond te komen. De rechtbank acht op grond van de door haar geschetste persoonlijke financiële situatie niet aannemelijk geworden dat [naam 1] voornoemd bedrag heeft kunnen sparen. De in het klaagschrift genoemde bedragen die [naam 1] buiten haar inkomen tussen 2004 en 2015 op haar rekening bijgeschreven heeft gekregen, maakt dit niet anders. De bedragen betreffen veelal constante stortingen, overboekingen van een andere eigen rekening of van die van betrokkene waarvan de herkomst onbekend is gebleven. De enkele credit-mutaties die wél zijn te herleiden – die van een verzekeringsmaatschappij, de Belastingdienst of een advocatenkantoor afkomstig zijn – zijn overwegend gering en/of dateren van langere tijd geleden. Het klaagschrift is bovendien door de rechtbank op 16 april 2016 ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft op 20 december 2016 het beroep in cassatie, ingesteld door [naam 1] , niet-ontvankelijk verklaard.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aangetroffen bedragen afkomstig van betrokkene, welke hij heeft verdiend met zijn handel in cocaïne.
Deze post wordt dan ook niet op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht.
De contante uitgaven hennepkwekerij:
De rechtbank heeft betrokkene vrijgesproken van feit 4 in de hoofdzaak, betreffende het telen van hennep in een pand gelegen aan de [adres 3] te Rotterdam. Zijn betrokkenheid is niet voldoende aangetoond. Er zijn evenmin aanknopingspunten in het dossier aanwezig, die erop wijzen dat betrokkene de hennepplantage uitsluitend zou hebben gefinancierd. De rechtbank is dan ook met de raadsman van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene heeft bijgedragen aan de kosten voor het inrichten/onderhouden van de hennepkwekerij. De genoemde uitgaven ten bedrage van € 4.442,50 worden aldus buiten beschouwing te laten.
Ontnemingsbedrag:
Gelet op het vorenstaande zal van het berekende eindbedrag in de kasopstelling van
€ 59.686,62 het bedrag van € 4.442,50 inzake de contante uitgaven hennepkwekerij worden afgetrokken, zodat als genoten voordeel een bedrag van € 55.244,12 resteert.
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 55.244,12 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.
5 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6 De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 55.244,12;
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 55.244,12 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door mr. K.M. de Jager, voorzitter, mr. I.M. Josten en
mr. H.E. Goedegebuur, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier
mr. D.A.C.M. Roebroeks en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 maart 2018.
Mr. Josten, mr. Goedegebuur en mr. Roebroeks zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.