Strafrecht overig
“Uit een kasopstelling bleek dat beide verdachten konden beschikken over een aanzienlijk onverklaarbaar…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 juli 2020
ECLI:NL:RBZWB:2020:3302 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 22 juli 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2020-3302
Zaakgegevens
Op 22 juli 2020 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 22 juli 2020
- Datum publicatie
- 23 juli 2020
- Zaaknummer
- 02-810593-17 ontneming
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2020:3302
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
“Uit een kasopstelling bleek dat beide verdachten konden beschikken over een aanzienlijk onverklaarbaar vermogen. De verdachten worden veroordeeld voor het witwassen van een grote hoeveelheid geld. Voor beiden geldt dat ze zelf contante bedragen hebben gestort op bankrekeningen en dat ze daarnaast contante geldbedragen aan een financieel adviseur gaven. Deze financieel adviseur stortte die bedragen op de zakelijke rekeningen van zijn bedrijf en vanuit die zakelijke rekeningen werden die bedragen overgeboekt naar de rekening van de verdachten, met daarbij een verzonnen reden voor betaling”. Naast de veroordeling heeft de rechtbank voor beide verdachten de ontnemingsvordering toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/810593-17
vonnis van de rechtbank d.d. 22 juli 2020
in de ontnemingszaak tegen
[Betrokkene]
geboren op [Geboortedag] 1984 te [Geboorteplaats]
wonende te [Adres]
raadsman mr. Van Rijsbergen, advocaat te Breda
1 De procedure
Betrokkene is op 22 juli 2020 door de rechtbank veroordeeld voor gewoontewitwassen, valsheid in geschrifte en oplichting tot de in die uitspraak vermelde straf.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juli 2020, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
De officier van justitie heeft bij de behandeling ter zitting de vordering gewijzigd. Aanvankelijk was aan betrokkene bekend gemaakt dat de hoogte van het voordeel werd geschat op € 600.000,=. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de officier van justitie medegedeeld dat deze schatting op een misverstand berust. Hij heeft daarop zijn vordering aangepast, in die zin dat het door verdachte genoten voordeel wordt geschat op € 165.519,=.
2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het geschatte voordeel bestaat uit de negatieve kas die is berekend over de jaren 2011 tot en met 2015 en hij baseert zich daarbij op de gemaakte kasopstelling d.d. 19 december 2017.
3 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat, gezien het verzoek tot vrijspraak, de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4 Het oordeel van de rechtbank
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is schuldig bevonden aan het gewoontewitwassen van contante geldbedragen tot een totaalbedrag van € 193.006,=. Voor het schatten van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie gewezen op het proces-verbaal betreffende de eenvoudige kasopstelling op pagina 444 en 445 van het eind-proces-verbaal in het onderzoek “Aisne”.
De rechtbank constateert dat bij het opstellen van deze kasopstelling gebruik is gemaakt van gegevens uit de administratie van betrokkene, bankafschriften van betrokkene en zijn vriendin [Naam 1] en de onderzoeksresultaten van het door de FIOD uitgevoerde onderzoek genaamd “Aisne”. Over de periode van 2012 tot en met 2015 is gekeken naar de betalingen per bank die zijn gedaan door betrokkene en door zijn vriendin [Naam 1] Ook is een bedrag berekend dat volgens het NIBUD per maand gemiddeld wordt uitgegeven voor boodschappen, consumentenartikelen en autokosten. Daarnaast is berekend wat de legale contante ontvangsten zijn geweest van betrokkene en van zijn vriendin [Naam 1] en welke contante uitgaven zij feitelijk hebben gedaan, waaronder ook de contante stortingen. Van deze feitelijke contante uitgaven is vervolgens telkens het bedrag afgetrokken wat beschikbaar was voor het doen van uitgaven en het verschil heeft voor ieder jaar een negatieve kas opgeleverd omdat er meer contante uitgaven zijn gedaan dan via legale bron kon worden verantwoord. Het totaal van deze negatieve kas over de jaren 2012 tot en met 2015 bedraagt € 165.519,= en naar het oordeel van de rechtbank kan het netto wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook op dat bedrag worden geschat.
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 165.519,=.
5 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6 De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 165.519,=.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 165.519,=, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 240 dagen.
Deze beslissing is gegeven door mr. Dekker, voorzitter, mr. Beudeker en mr. Fleskens, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Nouws en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juli 2020.
Mrs. Dekker en Fleskens zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.