Strafrecht overig
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel. Vordering toegewezen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 april 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:2491 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 14 april 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/op-tegenspraak/ecli-nl-rbzwb-2023-2491
Zaakgegevens
Op 14 april 2023 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 14 april 2023
- Datum publicatie
- 14 april 2023
- Zaaknummer
- 02-166016-20 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Op tegenspraakOp tegenspraakBeide partijen – of in een strafzaak de verdachte – hebben zich verweerd; het tegenovergestelde van verstek.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2491
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel. Vordering toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-166016-20
vonnis van de rechtbank d.d. 14 april 2023
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. W.B. Lisi, advocaat te Utrecht.
1 De procedure
Betrokkene is bij vonnis van heden door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor onder andere, kort gezegd, het medeplegen van mensenhandel in de periode van 4 juni 2020 tot en met 23 juni 2020.
De officier van justitie, mr. I.H.C.M. van Dorst, heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2023, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de ontnemingsrapportage van 20 januari 2021 en de daarin opgenomen berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Die berekening is goed onderbouwd en redelijk. De officier van justitie vordert onder verwijzing naar de berekening het totaalbedrag pondspondsgewijs toe te rekenen aan betrokkene en de mededader.
3 Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden gelet op de in de hoofdzaak bepleite vrijspraak. Subsidiair moet de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel sterk worden gematigd, nu als uitgangspunt wordt genomen dat aangeefster vier klanten per dag had, terwijl zij dit niet zo heeft verklaard. Uit onderzoek aan de telefoon van betrokkene blijkt dat er acht seksafspraken zijn geconstateerd. De verdediging geeft de rechtbank daarom in overweging die acht afspraken als uitgangspunt te nemen voor de berekening.
4 Het oordeel van de rechtbank
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan, blijkt uit het vonnis in de hoofdzaak. Bij het bepalen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van de bewijsoverweging en de bewijsmiddelen als opgenomen bij dat vonnis.
De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in voornoemd rapport, juist is. Als uitgangspunt voor die berekening is genomen dat aangeefster twaalf dagen in de prostitutie heeft gewerkt en drie klanten per dag had. Het aantal klanten waar aangeefster over verklaart komt overeen met de hoeveelheid berichten die op de telefoon van betrokkene zijn aangetroffen. Ook is gebleken dat aangeefster genoeg inkomsten genereerde om in het levensonderhoud van haar en betrokkene te voorzien, opbrengsten aan de mededader af te dragen en op haar naam een huurovereenkomst af te sluiten, waarbij zij maandelijks een bedrag van € 720,-- zou gaan betalen voor de woning. Dat bij de berekening is uitgegaan van drie klanten per dag acht de rechtbank daarom alleszins redelijk.
Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat aangeefster drie klanten per dag had, in totaal 12 dagen in de prostitutie heeft gewerkt en dus in totaal 36 klanten heeft gehad. Op basis van de WhatsAppgespreken tussen betrokkene en de klanten kan worden vastgesteld dat de gemiddelde prijs per seksafspraak € 138,75 bedroeg. Op grond hiervan wordt de totale opbrengst geschat op € 4.995,--. De tijdens de doorzoeking aangetroffen € 300,-- moet op dit bedrag in mindering worden gebracht, wat neerkomt op een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van afgerond € 4.695,--.
Vaststelling ontnemingsbedrag
Bij de berekening is uitgegaan van een evenredige verdeling van het behaalde voordeel tussen betrokkene en de mededader. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden afgeleid hoe de opbrengst onder betrokkene en de mededader werd verdeeld. Betrokkene heeft geen inzicht gegeven in de (onderlinge) verdeling van het behaalde voordeel en ook overigens zijn er geen concrete aanknopingspunten voorhanden voor een afwijkende verdeelsleutel tussen betrokkene en de mededader dan op basis van gelijke verdeling. De rechtbank zal daarom het totale wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen en het totaalbedrag verdelen tussen betrokkene en de mededader, wat afgerond neerkomt op € 2.347,50 per persoon.
Nu de hoofdzaak gelijktijdig met de ontnemingsvordering is behandeld en in de strafzaak strafvermindering is toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn, is de rechtbank van oordeel dat de geconstateerde schending voldoende is gecompenseerd.
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 2.347,50
5 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6 De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 4.695,-- (zegge: vierduizendzeshonderdvijfennegentig euro).
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 2.347,50 (zegge: tweeduizenddriehonderdzevenenveertig euro en vijftig eurocent), ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 33 (drieëndertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Holtgrefe en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2023.
De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.